ECLI:NL:RBDHA:2026:1385

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
NL26.2462
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000DublinverordeningECLI:NL:RBDHA:2025:26806ECLI:EU:C:2022:858
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring die op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is opgelegd. De rechtbank heeft het beroep behandeld en het dossier beoordeeld, inclusief het verslag van het vertrekgesprek dat na de zitting is ingebracht.

De rechtbank oordeelt dat de maatregel niet prematuur is, omdat het hoger beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag geen schorsende werking heeft en inmiddels ook ongegrond is verklaard. Het dossier is volledig en er is geen sprake van belangenbeschadiging door het aanvankelijke ontbreken van het vertrekgesprek.

De gronden voor bewaring, waaronder het niet op de juiste wijze binnenkomen, het niet meewerken aan overdracht en het risico op het ontlopen van toezicht, zijn niet betwist en rechtvaardigen de maatregel. Het beroep op een lichter middel faalt, omdat de medische situatie en het risico op refoulement niet concreet zijn onderbouwd en de overdracht aan Bulgarije eerder is bevestigd.

De rechtbank heeft ambtshalve de rechtmatigheid van de maatregel getoetst en geen onrechtmatigheid vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2462

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Verweerder heeft op 22 januari 2026 het verslag van het vertrekgesprek van 15 januari 2026 ingediend. Eiser heeft daar op 22 januari 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens, met toestemming van beide partijen, zonder nadere zitting gesloten op 23 januari 2026.
Overwegingen
Premature maatregel
1. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring voortijdig is genomen, omdat het onjuist is om iemand in bewaring te stellen voordat de asielaanvraag definitief is afgewezen.
1.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Verzoeker heeft op 23 juli 2025 asiel aangevraagd in Nederland. Bij besluit van 13 november 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen en besloten dat eiser wordt overgedragen aan Bulgarije op grond van de Dublinverordening. Deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht heeft op 15 december 2025 het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2025:26806) en de voorlopige voorziening (niet gepubliceerd) afgewezen. Eiser heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De rechtbank stelt vast dat op het moment van oplegging van de bewaring het hoger beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag nog aanhangig was. Dit hoger beroep heeft echter geen schorsende werking en er is geen voorlopige voorziening toegewezen die het overdrachtsbesluit heeft geschorst. Verweerder was daarom bevoegd de voorbereidingen voor de overdracht voort te zetten. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het hoger beroep inmiddels, bij uitspraak van 16 januari 2026, ook ongegrond is verklaard en de voorlopige voorziening is afgewezen. De maatregel van bewaring kan niet als prematuur worden aangemerkt en de beroepsgrond slaagt niet.
Onvolledig dossier
2. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat het verslag van het vertrekgesprek van 15 januari 2026 ontbreekt in het dossier. Hij stelt dat dit gebrek in het dossier in zijn voordeel moet worden meegewogen, omdat daardoor niet alle relevante feiten over zijn bewaring en het zicht op uitzetting volledig kunnen worden beoordeeld.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat het verslag van het vertrekgesprek na de zitting alsnog is ingebracht en dat eiser de gelegenheid heeft gekregen inhoudelijk te reageren op het verslag. Voor zover eiser zijn beroepsgrond over de onvolledigheid van het dossier nog handhaaft, overweegt de rechtbank dat inmiddels sprake is van een volledig dossier en dat niet is gebleken dat eiser door de gang van zaken in zijn belangen is geschaad. De rechtbank acht zich thans volledig voorgelicht en in staat om de maatregel te toetsen.
Bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel niet betwist. De gronden 3a, 3k, en 4a, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
4. Eiser voert aan dat de bewaring onder de gegeven omstandigheden onevenredig zwaar en onvoldoende gerechtvaardigd is. Zijn medische situatie is onverenigbaar met een overdracht aan Bulgarije, waar hij geen adequate behandeling kan verwachten en het risico op refoulement bestaat.
4.1.
De rechtbank overweegt dat de vraag of eiser kan worden overgedragen aan Bulgarije en de omstandigheden in Bulgarije buiten de omvang van dit geding vallen. In de hiervoor genoemde uitspraak van 15 december 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, reeds geoordeeld, met inachtneming van door eiser aangevoerde gronden (waaronder zijn beroep op zijn medische situatie), dat eiser kan worden overgedragen aan Bulgarije. Verweerder mag hiervan in de maatregel van bewaring uitgaan en dit hoeft niet opnieuw te worden gemotiveerd. Daarnaast kan eiser aanspraak maken op de medische zorg in het detentiecentrum en tijdens de zitting is bevestigd dat hij daar daadwerkelijk de benodigde medische zorg heeft ontvangen. Eiser heeft zijn stelling over het risico op refoulement niet geconcretiseerd en onderbouwd. Het is de rechtbank niet gebleken dat het beginsel van non-refoulement zich tegen de overdracht van eiser aan Bulgarije verzet. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.