Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13933

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
24/9227
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PwArt. 40 PwArt. 10 Boek 1 BWArt. 11 Boek 1 BWArt. 16 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag eenmalige energietoeslag 2023 wegens ontbreken hoofdverblijf in gemeente

Eiseres diende op 14 maart 2024 een aanvraag in voor een eenmalige energietoeslag over 2023 bij de gemeente [plaats 1]. Het college wees de aanvraag af omdat eiseres op de peildatum 1 september 2023 haar hoofdverblijf niet in de gemeente [plaats 1] had, maar in [plaats 2]. Eiseres voerde aan dat haar formele woonsituatie bepalend is en dat zij voldeed aan de voorwaarden, waaronder een huurovereenkomst en registratie in de BRP tot 10 oktober 2023.

De rechtbank oordeelde dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven bepalend is voor de woonplaats en dat eiseres feitelijk in [plaats 2] verbleef. Hierdoor was het college niet bevoegd om haar een energietoeslag toe te kennen. Ook het beroep op de hardheidsclausule en zeer dringende redenen werd verworpen omdat geen acute noodsituatie was aangetoond.

Het beroep werd ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiseres geen recht heeft op de energietoeslag, geen griffierecht terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een eenmalige energietoeslag 2023 is ongegrond verklaard omdat eiseres op de peildatum haar hoofdverblijf niet in de gemeente had.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9227

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.I. Zaad),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats 1]

(gemachtigde: [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om eenmalige energietoeslag over 2023. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

2. Op 14 maart 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend om een eenmalige energietoeslag over 2023, als bedoeld in artikel 35, vierde lid, van de Participatiewet (Pw). Op 30 mei 2024 heeft eiseres per e-mail aan het college bericht dat haar adres [adres] in [plaats 1] is.
2.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 14 juni 2024 afgewezen. Eiseres heeft volgens dat besluit geen recht op bijstand, omdat het college haar woonplaats niet heeft kunnen vaststellen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 19 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Het college stelt dat de peildatum 1 september 2023 is. Eiseres had haar woonplaats in de periode van 8 februari 2023 tot 1 maart 2024 in [plaats 2] . Eiseres had op de peildatum haar woonplaats dan ook niet in de gemeente [plaats 1] . Zij heeft daarom geen recht op een eenmalige energietoeslag over 2023 van de gemeente [plaats 1] .
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Beroepsgronden

3. Eiseres voert aan dat aan haar ambtshalve een energietoeslag had moeten worden toegekend op grond van artikel 3, eerste lid, onder a, van de Beleidsregels eenmalige energietoeslag [plaats 1] 2023 (Beleidsregels). Zij heeft immers over 2022 de energietoeslag van de gemeente [plaats 1] ontvangen. Ook komt zij in aanmerking voor energietoeslag omdat zij voldeed aan de voorwaarden. Het gaat er niet om waar eiseres feitelijk woonde op de peildatum van 1 september 2023. Het gaat erom wat op de peildatum haar formele woonsituatie is. Eiseres huurde in het gehele jaar 2023 een woning aan de [adres] in [plaats 1] . Dat volgt uit haar huurovereenkomst. Eiseres stond tot 10 oktober 2023 in de BRP op dat adres geregistreerd. Ook had zij een energiecontract over 2023 op dit adres. Zij ontving tot 31 december 2022 bijstand van de gemeente [plaats 1] . Het college heeft de bijstand per 1 januari 2023 beëindigd. Eiseres heeft met terugwerkende kracht vanaf februari 2023 bijstand van de gemeente [plaats 2] ontvangen. Zij heeft niet van een andere gemeente een eenmalige energietoeslag over 2023 ontvangen. Ten slotte meent eiseres dat zij in aanmerking komt voor de energietoeslag op grond van de hardheidsclausule als vermeld in artikel 5 van Pro de Beleidsregels en op grond van artikel 16 van Pro de Pw. Sprake is namelijk van bijzondere omstandigheden. Eiseres heeft problemen met haar buren op het adres in [plaats 1] en voelt zich bedreigd. Ook heeft zij problemen met de gemeente en met de woningbouwcorporatie en voert zij veel procedures.

Beoordeling door de rechtbank

4. Bij een aanvraag om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De betrokkene is onder meer verplicht juiste en volledige informatie over zijn woon- en leefsituatie te verschaffen, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.
4.1.
Hieruit volgt dat het aan eiseres als aanvrager van de energietoeslag is om aannemelijk te maken dat zij recht heeft op een eenmalige energietoeslag over 2023. In dat kader zal zij feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken die duidelijkheid geven over haar woonsituatie op de peildatum.
4.2.
Op grond van artikel 40, eerste lid, van de Pw bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft zoals bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
4.3.
De woonplaats is het adres waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Als de betrokkene geen hoofdverblijf heeft is zijn woonplaats de plaats waar hij werkelijk verblijft. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [1] De stelling van eiseres dat haar feitelijke verblijfplaats niet relevant is voor de beoordeling van de aanvraag slaagt dan ook niet.
4.4.
Beoordeeld moet worden de vraag of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij op de peildatum haar hoofdverblijf had in de gemeente [plaats 1] . Het staat vast dat de peildatum 1 september 2023 is. Dit volgt uit artikel 1, onder d, van de Beleidsregels.
4.5.
Eiseres heeft ter zitting meegedeeld dat zij in de periode waar het hier om gaat een paar keer in de week in haar woning in [plaats 1] kwam, onder andere om de post op te halen. Overnachten deed ze echter altijd in [plaats 2] , waar ze inwoonde bij iemand anders. Eiseres heeft ook niet weersproken dat ze op de peildatum, feitelijk gezien, niet in [plaats 1] maar in [plaats 2] woonde. Aangezien zij op die datum haar hoofdverblijf niet in de gemeente [plaats 1] had, komt zij niet in aanmerking voor energietoeslag over 2023. Dat volgt uit het feit dat de energietoeslag en de Beleidsregels zijn gebaseerd op artikel 35 van Pro de Pw. Die bepaling geeft de bevoegdheid om bijzondere bijstand te verlenen aan “het college”. Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 40, eerste lid, van de Pw, wordt daaronder het college van burgemeester en wethouders verstaan van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft, in de hiervoor bedoelde zin, en dat was in het geval van eiseres dus niet [plaats 1] . Het college was dan ook niet bevoegd eiseres een energietoeslag toe te kennen, ook niet ambtshalve.
4.6.
Ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 5 van Pro de Beleidsregels en artikel 16 van Pro de Pw overweegt de rechtbank het volgende. Voorop staat dat, zoals hiervoor werd overwogen, het college vanwege het feit dat eiseres haar woonplaats niet in [plaats 1] had niet bevoegd was haar een energietoeslag toe te kennen. Daar komt bij dat zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van Pro de Pw zich slechts voordoen indien vaststaat dat sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodzaak is aan de orde als de situatie levensbedreigend is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. [2] In de situatie van eiseres is niet gebleken van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw en ook niet van dringende redenen als bedoeld in artikel 5 van Pro de Beleidsregels. Daarbij is van belang dat eiseres niet aannemelijk gemaakt heeft dat sprake was van een financieel zeer nijpende situatie. Ook maken de stellingen van eiseres dat zij niet een energietoeslag over 2023 van een andere gemeente ontving, dat de onduidelijkheid over haar woonsituatie haar niet te verwijten is, dat zij onenigheid heeft met buren, gemeente en woningbouwcorporatie en dat zij veel procedures voert, hoe naar die omstandigheden ook kunnen zijn, niet dat sprake is van een acute noodsituatie en dus van een zeer dringende reden voor het verlenen van een eenmalige energietoeslag.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1730.
2.Zie de uitspraak van de CRvB van 24 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1553.