ECLI:NL:CRVB:2025:1730

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
24/2612 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 lid 4 PWArt. 40 lid 1 PWArt. 10 lid 1 BW Boek 1Art. 11 BW Boek 1Art. 2 lid 1 Tijdelijke beleidsregel energiebijdrage 2023 Breda
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag eenmalige energietoeslag 2023 wegens ontbreken hoofdverblijf in gemeente

Appellant heeft een eenmalige energietoeslag 2023 aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders van Breda. Het college wees de aanvraag af omdat appellant alleen een briefadres in Breda heeft en zijn feitelijke hoofdverblijf op een zeilboot is, waardoor hij niet voldoet aan het woonplaatsbeginsel van artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet (PW).

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen van de afwijzing in stand. Het college voerde aan dat appellant niet in Breda woont, wat het toekennen van de toeslag verhindert. Appellant voerde aan dat hij op grond van het gemeentelijke beleid toch recht heeft op de toeslag vanwege zijn briefadres en energielasten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het woonplaatsbeginsel strikt moet worden toegepast en dat het beleid geen afwijking toestaat voor personen met uitsluitend een briefadres. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen. Wel wordt het verzoek om vrijstelling van griffierecht toegewezen en het betaalde griffierecht terugbetaald.

Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De afwijzing van de aanvraag blijft in stand omdat appellant niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor het verkrijgen van bijzondere bijstand in de vorm van een energietoeslag.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor eenmalige energietoeslag 2023 wordt bevestigd omdat appellant geen hoofdverblijf in de gemeente Breda heeft.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 september 2024, 24/5319 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
Datum uitspraak: 25 november 2025

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de afwijzing van een aanvraag om eenmalige energietoeslag over 2023. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat appellant niet in [plaats] woont. Appellant heeft aangevoerd dat hij voldoet aan de voorwaarden van het gemeentelijk beleid om voor energietoeslag in aanmerking te komen, want hij heeft een briefadres in [plaats] en hij heeft energielasten. De Raad geeft appellant geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken overgelegd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 oktober 2025. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.L. Verbunt en L.L.J. de Waal.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft een eenmalige energietoeslag als bedoeld in artikel 35, vierde lid, van de Participatiewet (PW) (energietoeslag) voor het jaar 2023 aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft hij vermeld dat hij een briefadres heeft bij zijn broer in [plaats] . Hij woont op een zeilboot en heeft geen vaste ligplaats. Appellant heeft verschillende energielasten, zoals dieselolie en flessengas.
1.2.
Met een besluit van 11 december 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 mei 2024 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant alleen een briefadres in de gemeente Breda heeft en dat hij daarom niet voldoet aan de voorwaarden om voor energietoeslag in aanmerking te komen, zoals vastgelegd in de Tijdelijke beleidsregel energiebijdrage 2023 Breda (Beleidsregels).
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de afwijzing van de aanvraag van appellant in de eerste plaats is gebaseerd op het woonplaatsbeginsel zoals bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW. Hiermee heeft het college een gewijzigd standpunt ingenomen en het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen echter in stand blijven, omdat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet in [plaats] woont en artikel 40, eerste lid, van de PW daarom in de weg staat aan het toekennen van de energietoeslag.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregel die voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het woonplaatsbeginsel van artikel 40, eerste lid, van de PW
4.1.
Op grond van artikel 40, eerste lid, van de PW bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft zoals bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
4.1.1.
De woonplaats is de plaats waar de woonstede van de betrokkene is. Met woonstede wordt hier bedoeld: woning. De woning is het adres waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Als de betrokkene geen hoofdverblijf heeft is zijn woonplaats de plaats waar hij werkelijk verblijft. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [1]
4.1.2.
Vaststaat dat appellant zijn feitelijke hoofdverblijf op zijn zeilboot heeft en dat hij een reizend bestaan leidt. [plaats] is niet de plaats waar hij werkelijk verblijft, hij heeft daar alleen een briefadres. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat artikel 40, eerste lid, van de PW aan bijstandverlening door het college in de weg staat.
De Beleidsregels
4.2.
Appellant stelt dat hij op grond van de Beleidsregels in aanmerking komt voor de energietoeslag. Omdat hij een briefadres heeft in [plaats] en energielasten heeft, voldoet hij aan de in de Beleidsregels gestelde voorwaarden.
4.2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan appellant stelt, kan uit de Beleidsregels niet worden opgemaakt dat, in afwijking van artikel 40, eerste lid, van de PW, bijzondere bijstand in de vorm van een energietoeslag wordt toegekend aan personen die uitsluitend een briefadres in [plaats] hebben.
Verzoek om vrijstelling griffierecht
4.3.
Appellant heeft in hoger beroep verzocht om een verlaagd griffierecht. De Raad merkt dit aan als een verzoek om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht. Appellant heeft, zonder dat op dit verzoek is beslist, op 10 december 2024 een bedrag van € 138,- aan griffierecht betaald.
4.3.1.
Om voor vrijstelling van griffierecht in aanmerking te komen moet appellant aannemelijk maken dat – op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moest zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moest zijn gestort – het nettoinkomen waarover hij maandelijks kon beschikken minder bedroeg dan 95% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en voorts dat hij niet beschikte over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kon worden betaald. [2]
4.3.2.
Appellant heeft ter onderbouwing van zijn inkomen en vermogen per e-mailbericht van 9 oktober 2025 stukken overgelegd. Op basis hiervan acht de Raad aannemelijk dat appellant voldoet aan het in 4.3.1 weergegeven criterium. De Raad zal het verzoek om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht dan ook toewijzen en bepalen dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de Raad aan appellant wordt terugbetaald.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.2.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
  • bepaalt dat de griffier van de Raad het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- aan appellant terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen in tegenwoordigheid van C.C.M. van 't Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2025.

(getekend) J.J. Janssen

(getekend) C.C.M. van 't Hol

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregel

Artikel 35, vierde lid, van de Participatiewet:
In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand ook aan een alleenstaande of een gezin worden verleend in de vorm van een eenmalige energietoeslag, zonder dat wordt nagegaan of die alleenstaande of dat gezin in dat jaar een sterk gestegen energierekening had:
a. voor het jaar 2022, die kan worden verstrekt tot en met 30 juni 2023;
b. voor het jaar 2023, die kan worden verstrekt tot en met 31 augustus 2024.
Artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet:
Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. (…)
Artikel 2, eerste lid en vijfde lid, van de Tijdelijke beleidsregel energiebijdrage 2023 Breda,
geldend vanaf 21 februari 2023 tot en met 31 december 2023:
1. De eenmalige energiebijdrage 2023 van € 500,- is bedoeld voor een huishouden met een laag inkomen met energielasten. De bijzondere bijstand wordt ambtshalve of op aanvraag verleend.
(…)
5. Tot een huishouden (en doelgroep) wordt niet gerekend de persoon die op de peildatum:
(…);
d. dak- of thuisloos is en/of een briefadres heeft, vanwege het ontbreken van energielasten.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3038 en van 7 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3110.
2.Vgl. de uitspraak van 21 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:311.