Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13961

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
NL26.2434
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na gegrondverklaring samenhangend beroep asielaanvraag

Verzoekster heeft een asielaanvraag ingediend en meerdere keren beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. De minister heeft de aanvraag met een besluit van 13 januari 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd.

Op 3 april 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening behandeld, waarbij verzoekster het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingetrokken. De rechtbank heeft op dezelfde dag uitspraak gedaan op het samenhangende beroep en dit gegrond verklaard.

Omdat het samenhangende beroep gegrond is verklaard, acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wijst het verzoek af. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster, een bedrag van € 934,-.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het samenhangende beroep gegrond is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2434

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoekster,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. D. Halbesma).

Procesverloop

1. Verzoekster heeft een asielaanvraag ingediend. Vervolgens heeft zij tweemaal beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag. [1] De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 13 januari 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft ook hiertegen beroep ingesteld [2] en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 april 2026 op zitting behandeld, samen met de beroepen van verzoekster. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.
1.2.
Op zitting heeft verzoekster het beroep tegen het niet tijdig beslissen ingetrokken. [3]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het samenhangende beroep van verzoekster, en dat beroep gegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Omdat het samenhangende beroep gegrond is verklaard, krijgt verzoekster vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Voor het verschijnen ter zitting is in de uitspraak op het beroep al een punt toegekend.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt en openbaar gemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie ECLI:NL:RBDHA:2025:6294 (eerste beroep) en zaaknummer NL26.1646 (tweede beroep).
2.Zaaknummer NL26.2433.
3.Zaaknummer NL26.1646.