ECLI:NL:RBDHA:2026:1397

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
NL26.3832
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting

De vreemdeling, met de Libische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 24 september 2025 is opgelegd. Hij stelde dat het voortduren onrechtmatig is vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en onvoldoende voortvarendheid van de overheid.

De rechtbank heeft het beroep getoetst aan eerdere uitspraken en concludeert dat er wel degelijk zicht is op uitzetting naar Tunesië en Libië. De overheid handelt voortvarend door periodiek te rappelleren en vertrekgesprekken te voeren. De vreemdeling heeft onvoldoende onderbouwd dat uitzetting binnen een redelijke termijn niet mogelijk is.

Daarnaast is geoordeeld dat de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, waaronder zijn seksuele gerichtheid en psychische klachten, geen aanleiding geven tot onrechtmatigheid van de maatregel. Ook is het verzoek om toepassing van een lichter middel afgewezen omdat dit niet doeltreffend is gebleken.

De rechtbank wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3832

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2025 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 28 januari 2026 gesloten. [2]

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Libische nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 oktober 2025. [3] Vervolgens zijn er vervolgberoepen ingesteld. [4] Uit de laatste uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 december 2025 [5] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 24 december 2025, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds de sluiting van voornoemd onderzoek op 24 december 2025.
4. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Gelet op de inhoud van het digitale dossier en de door partijen overgelegde stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen. In het verzoek van eiser om een zitting ziet de rechtbank daarom onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.
5. Eiser voert aan dat het voortduren van de maatregel van bewaring na het sluiten van het vorige onderzoek op 24 december 2025 onrechtmatig is geworden wegens gewijzigde omstandigheden. Er is geen sprake van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, nu ondanks lp [6] -aanvragen bij de Libische en Tunesische autoriteiten en meerdere rappels geen inhoudelijke reactie is ontvangen. Verweerder handelt onvoldoende voortvarend en verricht slechts standaardmatige, niet-effectieve uitzettingshandelingen. Daarnaast heeft verweerder geen kenbare en individuele belangenafweging gemaakt bij het voortduren van de maatregel van bewaring en ten onrechte geen lichter middel toegepast. Daarbij had verweerder rekening moeten houden met eisers persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn homoseksuele gerichtheid, zijn gestelde vrees voor refoulement, zijn psychische en lichamelijke klachten en de mogelijkheid van opvang en begeleiding buiten bewaring. Verder meent eiser dat verweerder de rechtbank onvolledig en niet tijdig heeft geïnformeerd over de voortgang van de uitzetting, hetgeen volgens eiser heeft geleid tot schending van de informatieplicht, het verdedigingsbeginsel en equality of arms.
6. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld is er in het algemeen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Libië en Tunesië. De enkele omstandigheid dat de Libische en Tunesische autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de aanvragen om een lp is geen reden om in het specifieke geval van eiser aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Verder handelt verweerder voldoende voortvarend aan eisers uitzetting door periodiek te rappelleren over de lp-aanvragen en door regelmatig vertrekgesprekken te houden met eiser. De stelling van eiser dat dit geen effectieve handelingen zijn, is bij het eerdere vervolgberoep ook reeds aangevoerd en nog steeds niet onderbouwd. Uit de voortgangsrapportage blijkt verder dat op 3 februari 2026 voor eiser een presentatie bij de Libische autoriteiten staat gepland. Daarbij geldt verder dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en zijn lp-trajecten. In dit kader wordt opgemerkt dat eiser tijdens het vertrekgesprek van 6 januari 2026 heeft verklaard nooit terug te zullen keren, ook niet als er een lp wordt afgegeven. Onder deze omstandigheden is niet gebleken dat uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.
7. Eiser stelt zich nogmaals op het standpunt dat hij gevaar loopt vanwege zijn seksuele gerichtheid. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat dit niet leidt tot de onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring. Hierbij is van belang dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. Eiser heeft verder niet concreet onderbouwd dat een terugkeer naar Tunesië dan wel Libië in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. [7] Niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die een andere conclusie rechtvaardigen.
8. Eiser wordt verder niet gevolgd in zijn stelling dat verweerder ook kan volstaan met het opleggen van een lichter middel. In de uitspraak van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om het risico op onderduiken te ondervangen. Verder is eiser meerdere malen meegedeeld dat hij in het detentiecentrum toegang heeft tot medische zorg. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
9. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 28 januari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
4.Zie de uitspraken van 21 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21997 en 30 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25552.
6.Laissez-passer.
7.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.