Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13979

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
NL26.27692
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 2 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

Eiser, een Eritrese nationaliteit dragende persoon, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 13 mei 2026 waarbij hem de maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep werd tevens aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Tijdens de zitting op 27 mei 2026 heeft eiser zich beroepen op het ambtshalve oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de maatregel. Uit het dossier blijkt dat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland en dat de noodzakelijke documenten voor terugkeer naar Duitsland aanwezig zijn of spoedig beschikbaar zullen zijn. De rechtbank achtte het belang van de openbare orde voldoende om de maatregel te rechtvaardigen.

De ambtshalve toetsing leidde niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27692

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1997 en de Eritrese nationaliteit te hebben.
2. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij zich refereert aan het ambtshalve oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de maatregel van de bewaring.
3. Uit de motivering van de maatregel en uit de overige stukken in het dossier volgt dat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland. Verder volgt uit de maatregel dat de voor de terugkeer naar Duitsland noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, zodat verweerder op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw bevoegd was tot het opleggen van de maatregel. Hierbij wordt aangenomen dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert. Dit rechtsvermoeden hoeft in beginsel niet aan de hand van persoonlijke feiten en omstandigheden te worden gemotiveerd. [2]
4. Ook leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 28 mei 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:667.