Verzoeker heeft een reguliere verblijfsvergunning aangevraagd, welke bij besluit van 16 september 2025 door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. Hiertegen is bezwaar gemaakt en tegelijkertijd is een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen zolang het bezwaar in behandeling is.
De minister heeft op 10 april 2026 laten weten zich niet te verzetten tegen de toewijzing van deze voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet geen beletselen om het verzoek toe te wijzen en bepaalt dat de minister verzoeker niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 934, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht voor rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter F. Sijens en griffier M. Kroes en openbaar gemaakt op 28 mei 2026.