Verzoeker heeft een reguliere verblijfsvergunning aangevraagd, welke door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 4 november 2025 is afgewezen. Hiertegen is bezwaar gemaakt en tegelijkertijd is een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen zolang het bezwaar in behandeling is.
De minister heeft op 9 april 2026 laten weten zich niet te verzetten tegen de toewijzing van deze voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet geen beletselen om het verzoek toe te wijzen en bepaalt dat de minister zich moet onthouden van uitzetting of voorbereidingen daartoe totdat op het bezwaar is beslist.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 934, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de verleende rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter F. Sijens en openbaar gemaakt op 28 mei 2026.