ECLI:NL:RBDHA:2026:140
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlenging overdrachtstermijn Dublinprocedure wegens onderduiken vreemdeling
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening te verlengen tot achttien maanden, omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken en daarmee ondergedoken zou zijn. De minister baseerde dit op het feit dat eiser op 16 oktober 2025 de opvanglocatie had verlaten zonder de autoriteiten te informeren.
De rechtbank heeft het beroep beoordeeld zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten. Uit het dossier blijkt dat eiser op de hoogte was van zijn verplichtingen om wijzigingen in zijn verblijfplaats te melden en dat hij ondanks deze kennis de opvanglocatie heeft verlaten zonder zich te melden bij de betrokken instanties. Eiser voerde aan dat hij niet ondergedoken was omdat hij zich later weer meldde en zich in detentie bevond.
De rechtbank oordeelt dat het vertrek met onbekende bestemming feitelijk neerkomt op onderduiken zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Het feit dat er nog geen overdracht gepland was, doet hieraan niet af. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet de bedoeling had om zich aan de autoriteiten te onttrekken. Daarom is de verlenging van de overdrachtstermijn terecht en blijft het besluit van de minister in stand.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de verlenging van de overdrachtstermijn tot achttien maanden wegens onderduiken van eiser.