ECLI:NL:RBDHA:2026:140
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlenging overdrachtstermijn in het kader van Dublinverordening wegens onderduiken
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, enkelvoudige kamer, op 7 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie beoordeeld. De minister had de overdrachtstermijn van eiser verlengd tot achttien maanden, omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Eiser had op 15 juni 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend, maar deze was niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk was op basis van de Dublinverordening. Eiser was op 16 oktober 2025 vertrokken zonder de autoriteiten op de hoogte te stellen, wat leidde tot de verlenging van de overdrachtstermijn. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft gehandeld, aangezien eiser niet beschikbaar was voor de autoriteiten en zijn vertrek met onbekende bestemming de overdracht bemoeilijkte. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de verlenging van de overdrachtstermijn tot 18 maanden.