ECLI:NL:RBDHA:2026:140

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
NL25.54872
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging overdrachtstermijn in het kader van Dublinverordening wegens onderduiken

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, enkelvoudige kamer, op 7 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie beoordeeld. De minister had de overdrachtstermijn van eiser verlengd tot achttien maanden, omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Eiser had op 15 juni 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend, maar deze was niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk was op basis van de Dublinverordening. Eiser was op 16 oktober 2025 vertrokken zonder de autoriteiten op de hoogte te stellen, wat leidde tot de verlenging van de overdrachtstermijn. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft gehandeld, aangezien eiser niet beschikbaar was voor de autoriteiten en zijn vertrek met onbekende bestemming de overdracht bemoeilijkte. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de verlenging van de overdrachtstermijn tot 18 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54872

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 20 oktober 2025 waarbij de minister de overdrachtstermijn van eiser heeft verlengd tot achttien maanden.
1.1.
De minister heeft met een schriftelijke reactie van 10 november 2025 op het beroep tegen het opleggen van de maatregel van bewaring gereageerd. Deze informatie is gedeeltelijk relevant voor de behandeling van onderhavig beroep tegen het verlengen van de overdrachtstermijn en zal de rechtbank om deze reden ook betrekken.
1.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat de minister terecht is overgegaan tot verlenging van de termijn met 12 maanden (tot 18 maanden) om eiser op grond van de Dublinverordening aan Bulgarije over te dragen vanwege het vertrekken met onbekende bestemming (mob) en daarmee onderduiken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. Eiser heeft op 15 juni 2025 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 8 september 2025 niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije hiervoor verantwoordelijk zou zijn op grond van de Dublinverordening. Bij uitspraak van 11 november 2025 van deze rechtbank en zittingsplaats [2] , is het beroep dat eiser tegen dit besluit heeft ingesteld ongegrond verklaard. Bij uitspraak van diezelfde datum is het verzoek om voorlopige voorziening [3] afgewezen.
3.1.
De uiterste overdrachtsdatum is gelegen op 29 januari 2026, namelijk zes maanden nadat Bulgarije het claimverzoek van Nederland op 29 juli 2025 heeft geaccepteerd. Eiser is echter op 16 oktober 2025 met onbekende bestemming vertrokken. Op 20 oktober 2025 heeft de minister de Bulgaarse autoriteiten daarom geïnformeerd dat de overdracht van eiser niet plaats kan vinden binnen de overdrachtstermijn omdat eiser is verdwenen en dat de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening met 12 maanden is verlengd tot 18 maanden. Met het bestreden besluit heeft de minister eiser ervan in kennis gesteld dat de overdrachtstermijn is verlengd tot 18 maanden omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken.
Rechtsvraag
4. De vraag die in dit beroep aan de orde is, is of de minister zich gelet op de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan terecht op het standpunt stelt dat eiser was ondergedoken als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening omdat hij niet beschikbaar was voor de autoriteiten in het kader van een (nog niet geplande) overdracht.
Juridisch kader
5. In artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening is bepaald dat de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokken vreemdeling over of terug te nemen komt te vervallen, en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat, als de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden. Als de overdracht wegens onderduiken van de betrokken vreemdeling niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal 18 maanden worden verlengd.
5.1.
In het arrest Jawo [4] legt het Hof van Justitie artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo uit dat sprake is van onderduiken wanneer een vreemdeling doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht om deze overdracht te voorkomen. Dat is het geval wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de vreemdeling de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen. Het is vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij niet de bedoeling had onder te duiken om de overdracht te voorkomen. [5]
5.2.
In paragraaf C1/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is opgenomen dat wanneer de vreemdeling in kennis is gesteld van zijn verplichting om mee te werken aan de overdracht en is geïnformeerd over de gevolgen van het niet meewerken hieraan en hij vervolgens (tijdelijk) buiten bereik van de autoriteiten is, de minister in ieder geval aanneemt dat de vreemdeling zich aan de uitvoering van de overdracht heeft onttrokken en daarmee onderduikt. De minister verlengt de uiterste overdrachtsdatum niet als sprake is geweest van verschoonbare feiten en omstandigheden of als de vreemdeling niet is ingelicht over de verplichtingen die dienaangaande op hem rusten. [6]
Is eiser ondergedoken?
6. Eiser betoogt dat de minister de overdrachtstermijn ten onrechte heeft verlengd. Eiser was namelijk niet met onbekende bestemming vertrokken en dus ook niet ondergedoken. Op 28 oktober 2025 heeft hij contact opgenomen met zijn gemachtigde. Eiser was vanuit de penitentiaire inrichting in Assen, overgeplaatst naar het Detentiecentrum Rotterdam. Er kan daarom niet worden aangenomen dat eiser met onbekende bestemming zou zijn vetrokken. Hij verbleef immers op een voor de Nederlandse overheid bekende plaats.
Feiten en omstandigheden
6.1.
Uit het digitaal dossier blijkt dat eiser is meegedeeld dat hij verplicht is om (wijzigingen in) zijn woon- en verblijfplaats en adres zo spoedig mogelijk aan de IND door te geven. Verder blijkt dat eiser op 9 oktober 2025 een vertrekgesprek heeft gehad. In dit gesprek kwam onder andere naar voren dat eiser niet op de hoogte was van de zitting die plaatsvond op 8 oktober 2025 en dat hij slecht contact had met zijn advocaat. Op 28 oktober 2025 heeft de minister de rechtbank een brief gezonden met daarin de mededeling dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat niet is gebleken dat hij zich inmiddels weer heeft gemeld bij de IND, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) of de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Uit de door de minister meegestuurde bijlage blijkt dat eiser op 16 oktober 2025 de opvanglocatie met onbekende bestemming heeft verlaten. Ook staat in de bijlage op 21 oktober 2025, onder ‘Einde vertrekprocedure’, dat eiser de woonruimte zelfstandig heeft verlaten. Op 20 oktober 2025 heeft de minister het bestreden besluit bekend gemaakt waarin is opgenomen dat de overdrachtstermijn tot 18 maanden is verlengd, omdat eiser is vertrokken zonder dat bij de minister bekend is waarheen. Ook zijn de autoriteiten van Bulgarije op 20 oktober 2025 geïnformeerd dat de overdrachtstermijn is verlengd vanwege het vertrek van eiser. Vervolgens heeft eiser zich op 23 oktober 2025 weer gemeld in het aanmeldcentrum in Ter Apel en kwam hij op 25 oktober 2025 met strafrecht in aanraking.
6.2.
Bovenstaande feiten en omstandigheden zijn niet door eiser weersproken.
Oordeel van de rechtbank
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is namelijk van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden voldoende is gebleken en kan worden geconcludeerd dat eiser bekend was met zijn verplichtingen en dat hij desondanks met onbekende bestemming was vertrokken en daarom, in ieder geval tijdelijk, feitelijk buiten het bereik van de autoriteiten is gebleven en dus is ondergedoken. Dat er feitelijk nog geen overdracht of vlucht stond gepland maakt dit niet anders, omdat dat niet wegneemt dat eiser door het vertrek met onbekende bestemming zijn Dublinprocedure en daarmee zijn overdracht bemoeilijkt. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid en dat hij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan de autoriteiten. De enkele stelling dat eiser op 28 oktober 2025 contact heeft opgenomen met zijn gemachtigde, maakt niet dat hij ten tijde van de MOB-melding op 16 oktober 2025 en het nemen van het bestreden besluit van 20 oktober 2025 beschikbaar was voor de autoriteiten. Zijn bezoek aan het informatieloket van de minister op 18 oktober 2025 maakt dit evenmin anders en dat wordt door eiser ook niet betwist. De minister heeft de overdrachtstermijn dan ook terecht verlengd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. [7]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de verlenging van de overdrachtstermijn tot 18 maanden in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
2.Rb. Den Haag, zp. Arnhem 11 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21252.
3.Met zaaknummer NL25.43373 (niet gepubliceerd).
4.HvJEU 19 maart 2019, Abubacarr Jawo tegen Bundesrepublik Deutschland, ECLI:C:EU:2019:218.
6.Zie verder ook Informatiebericht 2023/29 ‘Uitspraak Afdeling over verlenging UOD bij MOB’.
7.ABRvS van 5 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:16, r.o. 6.1.