Verzoeker heeft een reguliere verblijfsvergunning aangevraagd, welke op 12 december 2025 door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. Hiertegen is bezwaar gemaakt en tegelijkertijd is een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen totdat het bezwaar is behandeld.
De minister heeft op 31 maart 2026 laten weten zich niet te verzetten tegen de toewijzing van deze voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet geen beletselen om het verzoek toe te wijzen en bepaalt dat de minister verzoeker niet mag uitzetten of voorbereidingen daartoe mag treffen zolang het bezwaar niet is afgerond.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 934,-, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de verleende rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter F. Sijens en griffier M. Kroes en is gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.