Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14026

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
25/1672
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WkgbArt. 9 Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingenArt. 26 AwirArt. 47 Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering kindgebonden budget wegens overschrijding vermogensgrens

Eiseres heeft in 2018 kindgebonden budget aangevraagd, maar voor 2023 is dit op nihil gesteld vanwege een te hoog vermogen op de peildatum 1 januari 2023. Dit leidde tot een terugvordering van €5.384 inclusief rente. Eiseres betoogt dat het vermogen tijdelijk was, omdat zij na het onverwachte overlijden van haar partner het geld van de verkoop van woningen tijdelijk op haar rekening had staan en dat terugvordering onredelijk is gezien haar persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat het wettelijk kader vereist dat het verzamelinkomen zoals vastgesteld door de Belastingdienst wordt gehanteerd en dat de uitzonderingen op het meetellen van vermogen limitatief zijn. De verkoopsom van de woning valt hier niet onder. De hardheidsclausule en toepassing van de menselijke maat bieden geen grondslag om af te wijken.

Hoewel de rechtbank begrip toont voor de persoonlijke situatie van eiseres, is er geen reden om de terugvordering te matigen. Eiseres kan een betalingsregeling aanvragen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de terugvordering van het kindgebonden budget wordt ongegrond verklaard en matiging van de terugvordering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1672

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

Dienst Toeslagen, verweerder

( [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Procesverloop

1. Eiseres heeft in 2018 kindgebonden budget aangevraagd. Verweerder heeft het kindgebonden budget voor het jaar 2023 met de definitieve berekening van 2 augustus 2024 op nihil gesteld. Met het bestreden besluit van 26 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder hierbij gebleven.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar partner en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft een definitieve berekening van het kindgebonden budget ontvangen.. Omdat het vermogen van eiseres over 2023 op de peildatum te hoog was, is het kindgebonden budget op nihil gesteld. Als peildatum geldt 1 januari van het jaar waarover aangifte is gedaan. Dat is in het geval van eiseres 1 januari 2023. Eiseres moet inmiddels een bedrag van € 5.384,- terugbetalen (incl. invorderingsrente). Eiseres is het hier niet mee eens.
Wat vindt eiseres?
3. Eiseres stelt zich - kort samengevat- op het standpunt dat het vermogen dat op de peildatum op haar rekening stond tijdelijk was en niet meegerekend zou moeten worden. Op [datum] 2022 is de partner van eiseres onverwacht overleden. Zij zou een week later met hem gaan samenwonen, dit in afwachting van de oplevering van een gezamenlijk nieuw huis. Eiseres had haar eigen woning al verkocht. Na het overlijden van haar partner bleek dat zij de nieuwe woning niet alleen kon betalen. Zij was dan ook gedwongen deze te verkopen. Het geld van de verkoop van de woningen stond op de peildatum (1 januari 2023) op de rekening van eiseres omdat het haar nog niet gelukt was op zo’n korte termijn een nieuwe woning te kopen. Eiseres heeft uiteindelijk in maart 2023 een woning gekocht, het geld heeft dan ook nog geen drie maanden op haar rekening gestaan. Daarbij komt dat eiseres in 2023 te maken heeft gehad met veel (financiële) tegenslag. Zij is haar baan verloren door een faillissement van haar werkgever, heeft hoge kosten moeten maken voor het thuisonderwijs van haar zoon met PDD-NOS en zij heeft een ongeluk gehad waarvan zij nog aan het herstellen is. Het getuigt van onredelijke hardheid en schending van de menselijke maat om het gehele bedrag van eiseres terug te vorderen en hier ook nog invorderingsrente over te rekenen terwijl er bezwaar en beroep is ingediend. Dit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. In artikel 1, vierde lid, van de Wkgb [1] staat dat er geen recht is op kindgebonden budget als de rendementsgrondslag van de ouder aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 127.582. Verweerder is bij de bepaling van de draagkracht gehouden uit te gaan van het verzamelinkomen zoals door de inspecteur van de Belastingdienst in de aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld.
4.1.
De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen wettelijke grondslag is om van een ander inkomen uit te gaan dan het verzamelinkomen zoals dat is vastgesteld door de Inspecteur van de Belastingdienst. Verweerder moet dit verzamelinkomen dan ook gebruiken als toetsingsinkomen voor de vaststelling van de rendementsgrondslag. Dit is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [2] .
Bijzonder vermogensbestanddeel
5. Eiseres verzoekt om af te wijken van de regels omdat die regels leiden tot een onevenredige uitkomst (hardheidsclausule) [3] en omdat de menselijke maat moet worden toegepast. Wettelijk gezien is het mogelijk om een deel van het vermogen niet te laten meetellen bij de rendementsgrondslag. In artikel 9 van Pro de Uitvoeringsregeling [4] staat opgesomd om welke bezittingen, bedragen en uitkeringen dat gaat. Dit ziet met name op eenmalige uitkeringen op grond van bijzondere schadevergoedingsmaatregelen. Daar valt de verkoopsom van een woning niet onder.
5.1.
De situatie van eiseres, het ontvangen van de verkoopsom van haar woning dat later in het jaar gebruikt is om een eigen woning aan te kopen, valt niet onder de uitzonderingen zoals beschreven in de Uitvoeringsregeling. De opsomming in de Uitvoeringsregeling is limitatief. Dat betekent dat naast deze opsomming geen andere bezittingen, bedragen en uitkeringen als zodanig mogen worden aangemerkt door verweerder. Het deel van het vermogen wat betrekking heeft op de verkoopsom, kan daarom niet buiten beschouwing gelaten worden. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt dan ook niet.
Belangenafweging
6. Verweerder heeft op grond van artikel 26, tweede lid, van de Awir de mogelijkheid om van terugvordering af te zien of de terugvordering te matigen indien de nadelige gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de terugvordering. Uit het Verzamelbesluit Toeslagen volgt dat hiervan in beginsel geen sprake is indien de terugvordering het gevolg is van het overschrijden van de vermogensgrens. Hetzelfde geldt voor het geval dat iemands financiële situatie de terugvordering verhinderd. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid om een (persoonlijke) betalingsregeling te vragen.
7. Nu de terugvordering het gevolg is van een overschrijding van de vermogensgrens bestaat er voor verweerder in principe geen reden om de tergvordering te matigen. De rechtbank ziet wel dat eiseres de afgelopen jaren veel heeft meegemaakt en dat deze periode zowel emotioneel als financieel zwaar voor haar is geweest. Eiseres heeft echter de mogelijkheid om een betalingsregeling te vragen als zij niet in staat is om het bedrag in één keer terug te betalen. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de feitelijke situatie van eiseres niet wezenlijk anders is dan van anderen die tijdelijk geld voor een woning op hun rekening hebben staan. Hierbij speelt ook mee dat eiseres, ook zonder het overlijden van haar partner, een te hoog verzamelinkomen gehad zou hebben. Ook in die situatie had de verkoopsom van haar eigen woning op 1 januari 2023 op haar rekening gestaan en had zij het kindgebonden budget moeten terug betalen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet kindgebonden budget.
2.zie bijvoorbeeld de uitspraak van de afdeling bestuursrechtsprak van de Raad van State van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1480.
3.Op grond van artikel 47 van Pro de Awir.
4.Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.