ECLI:NL:RBDHA:2026:14127

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
NL25.14909
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 66a Vreemdelingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod voor Oezbeekse vreemdeling

Eiser, een Oezbeekse nationaliteit dragende vreemdeling, kreeg op 4 maart 2025 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd wegens het niet rechtmatig verblijven in Nederland en het risico op onttrekking aan toezicht. Eiser stelde dat hij op 7 maart 2025 een asielaanvraag had ingediend en dat hij daardoor procedureel rechtmatig verblijf had, en voerde aan dat het inreisverbod onevenredig zware gevolgen had.

De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit terecht was uitgevaardigd omdat eiser ten tijde van het besluit niet rechtmatig verbleef. De asielaanvraag die na het besluit werd ingediend, maakte het besluit niet onrechtmatig. De rechtbank stelde vast dat de door verweerder aangevoerde zware en lichte gronden niet waren betwist en feitelijk juist waren.

Verder concludeerde de rechtbank dat de omstandigheden van eiser, zoals zijn financiële situatie en afhankelijkheid van andere Europese landen, geen bijzondere, individuele omstandigheden vormden om af te zien van het inreisverbod of de duur daarvan te verkorten. Ook was er geen aanleiding om te veronderstellen dat eiser nog rechtmatig verblijf had in Hongarije op basis van een verlopen D-visum.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 27 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14909

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb. [1]

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2000 en heeft de Oezbeekse nationaliteit.
2. Bij het bestreden besluit is aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft overwogen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- 4c. geen vaste woon-of verblijfplaats heeft;
- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartegen aan dat hij op 7 maart 2025 een asielaanvraag heeft ingediend waarop nog niet is beslist, zodat hij procedureel rechtmatig verblijf heeft en het terugkeerbesluit niet in stand kan blijven. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat om af te zien van het opleggen van een inreisverbod of om de duur daarvan te verkorten. Het inreisverbod heeft onevenredig zware gevolgen voor hem en zijn familie, gelet op zijn coöperatieve houding, zijn persoonlijke en financiële omstandigheden in het land van herkomst en het feit dat hij voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van omliggende Europese landen. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende onderzocht of eiser, gelet op het bij hem aangetroffen verlopen D-visum voor Hongarije, nog verblijfsrecht heeft in Hongarije.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Verweerder heeft de rechtbank namelijk op 20 januari 2026 meegedeeld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens verklaard nog contact met eiser te hebben. Onder deze omstandigheden bestaat aanleiding om aan te nemen dat eiser nog prijs stelt op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Eiser wordt daarom ontvankelijk geacht in zijn beroep.
5. Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het uitvaardigen van het bestreden besluit niet rechtmatig in Nederland verbleef, zodat verweerder gehouden was tegen eiser een terugkeerbesluit uit te vaardigen. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, die aan het terugkeerbesluit ten grondslag zijn gelegd, niet heeft betwist. Deze gronden zijn feitelijk juist en terecht aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd. Verweerder heeft het risico op onttrekking hiermee voldoende gemotiveerd en op grond hiervan een vertrektermijn aan eiser kunnen onthouden.
6. Dat eiser op 7 maart 2025 een asielaanvraag heeft ingediend, maakt het terugkeerbesluit van 4 maart 2025 niet onrechtmatig. Ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit verbleef eiser immers niet rechtmatig in Nederland. Dat eiser nadien een asielaanvraag heeft ingediend, leidt daarom niet tot het oordeel dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd. Daarbij merkt de rechtbank op dat de asielaanvraag van eiser is afgewezen en het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 18 december 2025 door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond is verklaard. [4]
7. Ook is overigens niet gebleken dat het bestreden besluit onrechtmatig is wegens het non-refoulementbeginsel.
8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en daarbij kunnen afzien van een vertrektermijn. Uit artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw volgt dat een inreisverbod wordt opgelegd als een vertrektermijn is onthouden. De door eiser gestelde omstandigheden, waaronder zijn financiële situatie, zijn gestelde afhankelijkheid van andere Europese landen voor zijn levensonderhoud en zijn wens om in Nederland te blijven, heeft verweerder niet hoeven aanmerken als bijzondere, individuele omstandigheden die aanleiding geven om van het opleggen van een inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. Verweerder heeft daarom aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar kunnen opleggen.
9. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder nader onderzoek had moeten verrichten naar een mogelijk verblijfsrecht in Hongarije, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit het bij eiser aangetroffen verlopen Hongaarse D-visum niet volgt dat eiser ten tijde van het bestreden besluit nog beschikte over rechtmatig verblijf in Hongarije. Eiser heeft overigens geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit blijkt dat hij nog over een geldige verblijfstitel of ander verblijfsrecht in Hongarije beschikte.
10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en inreisverbod opgelegd.
11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 27 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroepEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.