Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14173

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
NL25.51636
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verzoekster een voorlopige voorziening gevraagd tegen de uitzetting die was bevolen in het primaire besluit van 25 september 2025. De minister had de aanvraag van verzoekster om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om uitzetting op te schorten totdat op het bezwaar was beslist.

De minister heeft zich niet verzet tegen het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht geoordeeld dat onverwijlde spoed aanwezig is en dat de belangen van verzoekster zwaarder wegen. Daarom is het verzoek toegewezen en is de minister verboden om verzoekster uit te zetten of voorbereidingen daartoe te treffen totdat het bezwaar is afgewikkeld.

Daarnaast is de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op respectievelijk €194 en €934. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter F. Sijens en openbaar gemaakt op 29 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en verbiedt de minister om verzoekster uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51636

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker]

[V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. Sinnema),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
In het (primaire) besluit van 25 september 2025 heeft de minister verzoeksters aanvraag om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
1.2
Op 29 september 2025 heeft verzoekster hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3
Bij verzoekschrift van 22 oktober 2025 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.
1.4
Bij brief van 27 februari 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter bericht zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorziening.

Beoordeling door de rechtbank

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Nu de minister zich niet verzet tegen de toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletstelen ziet om dit verzoek toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoekster niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoekster een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- gebiedt de minister om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoekster en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
M. Kroes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op: