ECLI:NL:RBDHA:2026:14173
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verzoekster een voorlopige voorziening gevraagd tegen de uitzetting die was bevolen in het primaire besluit van 25 september 2025. De minister had de aanvraag van verzoekster om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om uitzetting op te schorten totdat op het bezwaar was beslist.
De minister heeft zich niet verzet tegen het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht geoordeeld dat onverwijlde spoed aanwezig is en dat de belangen van verzoekster zwaarder wegen. Daarom is het verzoek toegewezen en is de minister verboden om verzoekster uit te zetten of voorbereidingen daartoe te treffen totdat het bezwaar is afgewikkeld.
Daarnaast is de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op respectievelijk €194 en €934. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter F. Sijens en openbaar gemaakt op 29 mei 2026.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en verbiedt de minister om verzoekster uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist.