Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14213

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
23/1179
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMWmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatwerkvoorziening individuele begeleiding en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag inzake de toekenning van een maatwerkvoorziening individuele begeleiding op grond van de Wmo 2015. Het primaire besluit wees de aanvraag af, waarna bezwaar en beroep volgden. De rechtbank deed een tussenuitspraak waarin gebreken in het eerste besluit werden vastgesteld. Verweerder herstelde deze gebreken met een tweede besluit, waarna eiseres een contra-expertise liet uitvoeren die een hogere behoefte aan begeleiding aantoonde.

Verweerder nam daarop een derde besluit waarin een pgb voor tien uur begeleiding per week werd toegekend, gebaseerd op medische adviezen en de contra-expertise. Eiseres betwistte dit aantal uren, maar de rechtbank oordeelde dat het besluit redelijk was en het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaarde. Het beroep tegen eerdere besluiten werd niet-ontvankelijk verklaard omdat deze waren herzien.

Eiseres verzocht tevens om materiële schadevergoeding wegens te weinig toegekende uren, maar kon niet aantonen dat zij extra kosten had gemaakt. Dit verzoek werd afgewezen. Wel werd een schadevergoeding van € 2.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure, die ruim twee jaar en vier maanden bedroeg. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van in totaal € 6.592,75.

Uitkomst: Beroep tegen laatste besluit ongegrond, eerdere besluiten niet-ontvankelijk, schadevergoeding toegekend wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1179

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.J. Zennipman),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E.H. Buizert),
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat

Procesverloop

1. In het besluit van 13 december 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag voor ondersteuning bij sociaal en persoonlijke functioneren en ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid op grond van de Wmo 2015 afgewezen.
1.1.
In het besluit van 2 januari 2023 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld.
1.2.
Op 12 januari 2024 heeft de rechtbank een brief gestuurd met vragen aan verweerder. Verweerder heeft hierop bij wijze van verweer gereageerd op 18 januari 2024.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
1.4.
Op 9 april 2024 heeft de rechtbank tussenuitspraak gedaan en op 15 april 2024 heeft verweerder de rechtbank laten weten de geformuleerde gebreken te gaan herstellen.
1.5.
Met de tussenuitspraken van 25 juli 2024 en 4 december 2024 heeft de rechtbank de termijn verlengd. Gedurende het medisch heronderzoek door een door verweerder ingeschakelde deskundige heeft verweerder tijdelijke indicaties afgegeven voor 10 uur individuele begeleiding in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).
1.6.
In het besluit van 25 juni 2025 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, het primaire besluit herzien en aan eiseres vanaf 1 augustus 2025 tot en met 31 juli 2026 in aanmerking gebracht voor een maatwerkvoorziening ondersteuning (individuele begeleiding) in een omvang van 2 uur per week.
1.7.
Op 5 augustus 2025 heeft eiseres hierop gereageerd en op 15 oktober 2025 heeft zij aanvullende gronden ingediend. Zij heeft vervolgens een medische contra-expertise laten uitvoeren en op 3 november 2025 heeft zij het verslag daarvan overgelegd.
1.8.
In het besluit van 11 december 2025 heeft verweerder besloten tot een tijdelijke verhoging van de omvang van de individuele begeleiding in afwachting van een reactie van de door verweerder ingeschakelde deskundige.
1.9.
Op 16 januari 2026 heeft eiseres nadere gronden ingediend.
1.10.
Bij wijzigingsbesluit van 10 februari 2026 (bestreden besluit 3) heeft verweerder een maatwerkvoorziening ondersteuning toegekend in de vorm van een pgb voor 10 uur per week voor de periode vanaf 1 april 2026 tot en met 31 maart 2028 tegen het informele tarief.
1.11.
Op 24 februari 2026 heeft eiseres bericht dat zij haar beroep handhaaft onder aanvulling van de gronden.
1.12.
De rechtbank de behandeling ter zitting voortgezet op 17 maart 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres met haar gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder met [naam 1]
.

Overwegingen

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. [1]
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat aan bestreden besluit 1 gebreken kleven. Verweerder heeft geen beperkingen vastgesteld en de hulpvraag met betrekking tot het overnemen van lichamelijke handelingen en persoonlijke verzorging onvoldoende gemotiveerd. Het onderzoek was onzorgvuldig en onvolledig.
3.1.
Verweerder heeft een medisch advies aangevraagd bij [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam] ). Samengevat blijkt uit het advies van [bedrijfsnaam] dat eiseres als gevolg van duurzame medische problematiek beperkingen en belemmeringen ervaart in de zelfredzaamheid en (sociale) participatie met als meest belangrijke een aanvalsgewijs optredende aandoening en een orthopedische aandoening. Zij is aangewezen op een aan haar medisch beeld aangepast functioneren. De inzet van behandeling wordt als passend geacht en begeleiding is in dit kader eveneens passend. De conclusie is dat eiseres twee uur begeleiding nodig heeft, waaronder met name toeleiding naar behandeling, maar geen begeleiding bij dagelijkse bezigheden.
3.2.
Verweerder heeft in bestreden besluit 2 de geconstateerde gebreken hersteld en daarmee, zo begrijpt de rechtbank, bestreden besluit 1 herzien. Het besluit bouwt voort op het advies van [bedrijfsnaam] . Naar aanleiding van bestreden besluit 2 heeft eiseres een contraexpertise laten verrichten door Het Expertise Orgaan (hierna: HEO). Uit het rapport van HEO van 6 september 2025 blijkt dat de verzekeringsarts, dr. [naam 2] , heeft geconcludeerd dat een pgb voor twee uur begeleiding per week ontoereikend is. Een pgb voor acht uur begeleiding per week wordt gezien de vastgestelde beperkingen wel passend geacht.
3.3.
Naar aanleiding van de rapportage van HEO heeft verweerder een nieuw besluit (bestreden besluit 3) genomen. Verweerder heeft een maatwerkvoorziening verstrekt voor individuele begeleiding voor sociaal en persoonlijk functioneren voor tien uur per week voor de duur van 24 maanden met ingang van 1 april 2026 tot en met 31 maart 2028. Daartoe wordt een pgb verstrekt tegen het informeel tarief, € 24,42. De tien uur omvat twee aspecten: twee uur per week voor inzet van toeleiding naar (vervolg)medische behandeling, en acht uur per week individuele begeleiding (praktische ondersteuning bij de persoonlijke verzorging). Verweerder stelt dat er sprake is geweest van twee verschillende hulpvragen. Bij [bedrijfsnaam] was de hulpvraag gericht op hulp en toezicht (om overbelasting van de kinderen van eiseres te voorkomen), en bij HEO was deze gericht op daadwerkelijke hulp. De arts van [bedrijfsnaam] heeft geen aanleiding gezien om het medisch advies aan te passen. Hij heeft wel zijn advies aangevuld en gesteld dat door hem niet is vastgesteld dat eiseres medisch uitbehandeld is. Met het oog daarop is de inzet van toeleiding naar behandeling geadviseerd. Het medisch probleem van de epileptische activiteit heeft namelijk grote invloed op de zelfredzaamheid en de sociale activiteit van eiseres. De toeleiding is noodzakelijk, omdat eiseres al langere tijd onder behandeling staat voor dit probleem zonder dat dit heeft geleid tot een aanpassing van het behandelbeleid. Het is verweerder voorts niet gebleken dat er hulpbehoefte is op het gebied van persoonlijke verzorging. Eventueel bestaat daarvoor een aanspraak op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw), bijvoorbeeld via wijkverpleging, mocht die behoefte wel ontstaan.
3.4.
Eiseres heeft op het nieuwe besluit gereageerd en onder verwijzing naar het schrijven van 14 oktober 2025 van de behandelend neuroloog, dr. [naam 3] , aangevoerd dat zij minimaal 15,75 uur begeleiding nodig heeft. Verder heeft zij aangevoerd dat het uurtarief thans € 26,98 bedraagt. Zij verzoekt om verweerder te veroordelen tot het betalen van te weinig uitbetaalde uren, te weten 5,75 per week tegen het wettelijk vastgestelde uurtarief over de periode van 1 april 2026 tot en met 31 maart 2026.
4. De rechtbank overweegt dat nu verweerder een nieuw besluit (bestreden besluit 3) heeft genomen met als resultaat een toekenning voor meer uren, eiseres geen belang meer heeft bij beoordeling van de eerdere bestreden besluiten (1 en 2). Voor zover het beroep is gericht tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
5. Ter zitting is van de kant van eiseres bevestigd dat het geschil thans beperkt is tot de vraag of verweerder in bestreden besluit 3 terecht niet meer dan tien uur begeleiding heeft toegekend. De aanpassing van het uurtarief is niet langer in geschil. Verweerder heeft namelijk bevestigd dat het informele uurtarief geïndexeerd is en omhoog is gegaan in 2026.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zijn nieuwste besluit in redelijkheid kunnen baseren op de in deze zaak uitgebrachte medische adviezen door een maatwerkvoorziening individuele begeleiding voor sociaal en persoonlijk functioneren voor tien uur per week toe te kennen. Verweerder heeft het advies van HEO overgenomen en in aanvulling daarop conform het medisch advies van de deskundige van [bedrijfsnaam] de twee uur per week voor inzet van toeleiding naar (vervolg) medische behandeling gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder bovendien rekening gehouden met de periode in de ochtend en avond waarin eiseres niet zelfstandig kan functioneren, zoals ook geadviseerd in de medische contra-expertise. Het rapport van HEO bevat een actuele beoordeling. In de rapportage van de neuroloog dr. [naam 3] heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om nog meer uren toe te kennen. Deze brief, gericht aan de huisarts, bevat daarvoor geen concrete aanknopingspunten.
7. De beroepsgrond faalt. De conclusie is dat het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 3 ongegrond is.

Verzoek om materiële schadevergoeding

8. Eiseres heeft gesteld dat zij schade heeft geleden vanwege het feit dat zij tot dusverre te weinig pgb heeft ontvangen. Zij wenst dit alsnog vergoed te krijgen.
9. Het uitgangspunt is dat eiseres alsnog vergoeding zou kunnen krijgen voor hulp buiten het aanvankelijk toegekende pgb om die door haar zelf is bekostigd. Daarvoor is dan wel vereist dat eiseres kan aantonen dat zij die kosten ook daadwerkelijk heeft gemaakt. Ter zitting heeft eiseres een ‘budget-overzicht’ overlegd waaruit zou moeten blijken dat zij een vrijwillige storting heeft gedaan om de ondersteuning mee te betalen. Eiseres heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat dit bedrag door haar is betaald voor verleende individuele begeleiding in aanvulling op het toegekende pgb. Uit dit ‘budget-overzicht’ blijkt niet dat (extra) facturen zijn betaald aan haar zorgverlener.
10. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen.

Verzoek om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn

11. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding, omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Naar vaste rechtspraak geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
11.1.
De termijn is aangevangen op 17 januari 2022, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift van eiser tegen het primaire besluit heeft ontvangen. De redelijke termijn eindigde derhalve op 17 januari 2024. Dat betekent dat de redelijke termijn op de uitspraakdatum is overschreden met (naar boven afgerond) twee jaar en vier maanden. De rechtbank ziet noch in de zaak zelf noch in de opstelling van eiseres aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Met de overschrijding van twee jaar en vier maanden correspondeert een vergoeding voor immateriële schade van € 2.500,-
11.2.
De rechtbank overweegt dat in een geval als dit de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan wordt toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan, maar van de Staat. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan in deze zaak geen sprake.
11.3.
Dit betekent dat de volledige overschrijding van de redelijke termijn voor rekening komt van verweerder. Hieruit volgt dat verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 2.500,-.

Conclusie en gevolgen

12. Voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 en 2 is het beroep niet-ontvankelijk. Voor zover gericht tegen bestreden besluit 3 is het beroep ongegrond. Verweerder moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Dit omdat verweerder bestreden besluit 1 heeft herzien en het bezwaar gegrond heeft verklaard met bestreden besluit 2. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.
12.1.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde is verschenen ter zitting alsmede op de nadere zitting na de tussenuitspraak. Ook heeft zij een beroepschrift ingediend alsmede driemaal een schriftelijke zienswijze na toepassing van de bestuurlijke lus (te weten: de reactie op bestreden besluit 2 van
5 augustus 2025, de reactie op het advies van [bedrijfsnaam] van 16 oktober 2025 en de zienswijze van 26 februari 2026). Totaal levert dit 4,5 punten op. De brief van eiseres van 16 januari 2026, waarin zij reageert op bestreden besluit 3, is qua inhoud vrijwel identiek aan de reactie van 16 oktober 2025. Daarom wordt die brief niet meegeteld bij de proceskostenvergoeding. De vergoeding bedraagt daarom in totaal € 4.203,-. Ook krijgt eiseres een vergoeding voor de kosten die zij heeft gemaakt voor het laten uitvoeren van de medische contra-expertise waarvoor de kosten zijn vastgesteld op € 2.389,75. Het totale bedrag van de proceskostenvergoeding is € 6.592,75.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 3 ongegrond;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot het betalen van € 2.500,- aan schadevergoeding aan eiseres wegens overschrijding van de redelijke termijn;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 6.592,75 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.P.A. Stok, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4390, r.o. 4.4.