Uitspraak
OVERWEGINGEN
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 992,-;
- bepaalt dat de griffier aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de terugvordering door het UWV van onverschuldigde voorschotten over de periode van 1 juli 2008 tot 1 augustus 2010 op grond van de WAO. De rechtbank had in een tussenuitspraak geoordeeld dat het UWV een belangenafweging moest maken volgens artikel 4:95 van Pro de Awb, maar kwam in de einduitspraak terug op dit oordeel omdat artikel 57 van Pro de WAO een lex specialis is die terugvordering zonder belangenafweging voorschrijft.
Appellant stelde dat de rechtbank onterecht terugkwam op haar tussenuitspraak zonder hem in de gelegenheid te stellen hierop te reageren, wat in strijd zou zijn met de goede procesorde. De Raad overwoog dat terugkomen op een tussenuitspraak slechts in zeer uitzonderlijke gevallen is toegestaan, maar dat hier sprake was van een evident onjuiste juridische grondslag in de tussenuitspraak.
De Raad bevestigde dat het UWV op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO verplicht is tot terugvordering zonder belangenafweging, en dat de financiële situatie van appellant geen dringende reden vormt om van terugvordering af te zien. Hoewel de rechtbank naliet appellant vooraf te informeren over haar gewijzigde oordeel, was appellant niet in zijn belangen geschaad omdat hij in hoger beroep zijn standpunten voldoende kon toelichten.
De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van onverschuldigde WAO-voorschotten door het UWV bevestigd.