Verzoeker heeft een gecombineerde verblijfsvergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) aangevraagd, welke bij besluit van 9 maart 2026 door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij mocht blijven werken totdat het bezwaar is behandeld.
De minister heeft op 16 april 2026 laten weten zich niet te verzetten tegen de toewijzing van deze voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet geen beletselen om het verzoek toe te wijzen en bepaalt dat de minister verzoeker niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van verzoeker en de proceskosten van € 934,- voor de beroepsmatige rechtsbijstand. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.