Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14357

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/09/698676 / FA RK 26-934
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek moeder tot vervangende toestemming verhuizing met kinderen naar Groningen

De moeder verzocht de rechtbank om vervangende toestemming om met haar twee minderjarige kinderen naar Groningen te verhuizen, inclusief wijziging van de zorgregeling en inschrijving op scholen aldaar. De vader verzette zich tegen deze verhuizing en deed tevens zelfstandige verzoeken.

De rechtbank stelde vast dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden, zoals het aflopen van de partneralimentatie per 1 januari 2027, maar dat deze wijziging niet doorslaggevend was voor een positieve belangenafweging. De rechtbank overwoog dat het pendelen tussen woonplaatsen voor de kinderen geen rechtens relevante wijziging vormt en dat het familieleven met de nieuwe partner van de moeder ook in de huidige woonplaats kan worden uitgeoefend.

De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het belang van de kinderen en de vader om in de vertrouwde omgeving te blijven wonen zwaarder weegt dan het recht van de moeder om te verhuizen. De rechtbank wees erop dat de verhuizing grote gevolgen zou hebben voor het contact tussen vader en kinderen en dat de moeder geen concrete plannen had om haar financiële situatie te verbeteren in Groningen.

Daarom wees de rechtbank het verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing, wijziging van de zorgregeling en inschrijving op scholen af. De voorwaardelijke zelfstandige verzoeken van de vader werden niet inhoudelijk behandeld omdat de verhuizing niet werd toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing met de kinderen naar Groningen af vanwege het zwaardere belang van de kinderen en de vader.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-934
Zaaknummer: C/09/698676
Datum beschikking: 30 april 2026

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 30 januari 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.L. Weterings te Oegstgeest.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.J. Vroegindeweij te Katwijk .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9D bericht van 4 februari 2026 met bijlagen van de moeder;
  • de brief van 18 februari 2026 van de vader;
  • het F9D bericht van 27 februari 2026 met bijlagen van de moeder;
  • het F9D formulier van 3 maart 2026 van de moeder;
  • het F9D bericht van 5 maart 2026 van de vader;
  • het verweerschrift tevens houdende (voorwaardelijk) zelfstandig verzoeken;
  • het F9D bericht van 12 maart 2026 van de moeder;
- het verweer tegen de zelfstandig verzoeken;
- het F9D bericht van 19 maart 2026 met bijlage van de moeder.
De minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar hebben daar geen gebruik van gemaakt.
Op 19 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder met mr. J.H. Weermeijer-Patist , kantoorgenoot van mr. A.L. Weterings;
  • de vader met zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Zowel van de zijde van de moeder als van de vader zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:
aan haar toestemming te verlenen, die de toestemming van de vader vervangt, om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [plaats 1] te verhuizen en aldaar in te schrijven, meer specifiek naar de woning gelegen aan de [adres] per 21 juli 2026 (zomervakantie 2026);
indien de vervangende toestemming verhuizing wordt verleend, een zorgregeling vast te stellen conform het voorstel onder punt 49 tot en met 60 van het verzoekschrift;
indien de vervangende toestemming verhuizing wordt verleend, haar toestemming te verlenen, die de toestemming van de vader vervangt:
  • om [minderjarige 1] in te schrijven op het [school 1] en bij een huisarts en tandarts te [plaats 1] ;
  • om [minderjarige 2] in te schrijven op een passende middelbare school en bij een tandarts en huisarts in de regio [regio] , met keuze qua scholen tussen het [school 2] en het [school 1] ;
4. althans zodanige beslissingen te nemen die de rechtbank juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Ook heeft de vader zelfstandig verzocht:
- ( (voorwaardelijk) te bepalen dat de partneralimentatie met ingang van 21 juli 2026 nihil is, dan wel de partneralimentatie met ingang van 21 juli 2026 vervalt;
(voorwaardelijk) de zorgregeling te wijzigen waarbij de kinderen meer bij de vader verblijven zoals onder de punten 13 en 16 van het verweerschrift is uiteengezet dan wel een in goede justitie te bepalen zorgregeling.
De moeder heeft verweer gevoerd tegen de (voorwaardelijke) zelfstandige verzoeken, welk verweer hierna -voor zover nodig- zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [dag 1] 2011 tot [dag 2] 2021.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats] .
- De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- Bij beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 27 september 2021, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat het aangehechte convenant met ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking.
- Het door de ouders op 2 september 2021 getekende ouderschapsplan houdt – voor zover hier van belang  in:
  • vakantie– en feestdagen zullen de ouders in onderling overleg invullen.’
- Bij beschikking van deze rechtbank van 15 februari 2024 zijn de verzoeken van de moeder met betrekking tot het verlenen van vervangende toestemming voor verhuizing met de kinderen naar [plaats 1] , de inschrijving op een school aldaar en het wijzigen van de zorgregeling, afgewezen.
- Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 7 augustus 2024 is de beschikking van 15 februari 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd.

Beoordeling

Wijziging van omstandigheden
Op grond van artikel 1:377e gelezen in samenhang met artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De moeder heeft in 2024 een gelijkluidend verzoek om vervangende toestemming voor verhuizing met de kinderen naar [plaats 1] gedaan. Dat verzoek is destijds afgewezen door de rechtbank en die beslissing is bekrachtigd door het gerechtshof. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is daarom of er sprake is van een wijziging van omstandigheden die tot een nieuwe inhoudelijke beoordeling moet leiden, zodat de moeder moet worden ontvangen in haar verzoek.
Dat de kinderen in toenemende mate last hebben van het vele heen- en weer pendelen tussen [plaats 1] en [plaats 2] , vormt geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Dit is immers een voor de kinderen negatief gevolg van het handelen van de moeder en kan ook door haar worden opgelost, door minder vaak met de kinderen heen en weer te reizen. Dat de reisbewegingen noodzakelijk zijn om het (gestelde) familieleven met de nieuwe partner van de moeder uit te kunnen oefenen volgt de rechtbank niet. Voor zover er sprake is van familieleven tussen de kinderen en de nieuwe partner van de moeder kan dat immers ook in [plaats 2] worden uitgeoefend, waar de nieuwe partner van de moeder -zoals door de moeder is gesteld- over het algemeen op zondag en maandag verblijft.
Dat de financiële situatie van de moeder per 1 januari 2027 zal wijzigen door het aflopen van de partneralimentatie die zij ontvangt, vormt – mede in het licht van wat er door het gerechtshof in zijn beschikking van 7 augustus 2024 is overwogen – wel een relevante wijziging van omstandigheden. Aangezien [minderjarige 2] deze zomer de overstap naar de middelbare school zal maken, is de rechtbank van oordeel dat de moeder reeds nu kan worden ontvangen in haar verzoek, ook al vervalt haar recht op partneralimentatie pas over ruim een half jaar.
Vervangende toestemming verhuizing
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank kan op verzoek van de ouders of één van hen onder meer een beslissing nemen ten aanzien van een verhuizing van een van de ouders met de kinderen.
De Hoge Raad heeft criteria bepaald aan de hand waarvan een verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing, zoals in deze zaak voorligt, door de rechter moet worden beoordeeld (Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC:5901). Uit deze uitspraak volgt dat de rechter bij de beslissing over vervangende toestemming voor verhuizing alle omstandigheden van het geval in acht dient te nemen en alle belangen moet afwegen. Hoewel het belang van het kind daarbij een overweging van de eerste orde moet zijn, neemt dat niet weg dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Bij de beoordeling van het verzoek moeten volgens vaste rechtspraak de volgende omstandigheden en belangen worden meegewogen:
  • het recht en het belang van de moeder om te verhuizen en in vrijheid haar leven (opnieuw) in te richten;
  • de noodzaak voor de moeder om te verhuizen;
  • de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
  • de door de moeder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen en de vader te verzachten en te compenseren;
  • de mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
  • de rechten van de vader en de kinderen op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;
  • de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
  • de frequentie van het contact tussen de kinderen en de vader voor en na de verhuizing;
  • de leeftijd van de kinderen, hun mening en de mate waarin zij zijn geworteld in zijn/haar omgeving of juist gewend zijn aan verhuizingen;
  • de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
Beoordeling
De moeder verzoekt om vervangende toestemming om met de kinderen te verhuizen naar [plaats 1] . De vader verzet zich tegen deze verhuizing. Bij de beoordeling neemt de rechtbank de hiervoor beschreven verhuiscriteria in ogenschouw. De rechtbank benadrukt hierbij dat niet aan ieder criterium afzonderlijk moet worden voldaan, maar dat voor de beoordeling een belangenafweging moet worden gemaakt met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het geval.
Zoals de rechtbank ook in de beschikking van 15 februari 2024 heeft overwogen, heeft de moeder in beginsel het recht heeft om in vrijheid haar leven (opnieuw) in te richten en samen met de kinderen en haar partner een leven op te bouwen in [plaats 1] . Dit recht van de moeder wordt echter begrensd door het belang van de kinderen en het belang van de vader om mede zorg te dragen voor de kinderen. Om deze redenen dient de rechtbank te beoordelen of het belang van de kinderen zich tegen een verhuizing naar [plaats 1] verzet en dient de rechtbank een afweging te maken van de belangen van de ouders en de kinderen.
Het betoog van de moeder komt er in de kern op neer dat noch zij noch haar nieuwe partner in [plaats 2] mogelijkheden heeft om inkomsten te verwerven en dat de kinderen last hebben van het vele heen en weer reizen tussen [plaats 1] en [plaats 2] in de weekenden dat zij niet bij hun vader zijn. Ook stelt de moeder dat de kinderen inmiddels familieleven met haar nieuwe partner hebben opgebouwd, zodat niet verwacht kan worden dat zij stoppen met heen en weer pendelen naar [plaats 1] .
De vader betwist de noodzaak van de verhuizing naar [plaats 1] en voert aan dat hij en de kinderen er belang bij hebben dat de kinderen in [plaats 2] blijven wonen, omdat een verhuizing naar [plaats 1] grote gevolgen zal hebben voor de aard en de omvang van het contact tussen hem en de kinderen.
De rechtbank overweegt als volgt. De moeder voert als primaire reden voor de verhuizing aan dat het noodzakelijk voor de kinderen is om een vaste en stabiele thuissituatie te krijgen, zonder de onrust van de drie woonplekken en het constante reizen. Twee woonplekken is meer dan genoeg. De moeder heeft al vier jaar lang een relatie met haar nieuwe partner, die in [plaats 1] woont en daar een tuinderij heeft. Zij reist, als zij de zorg voor de kinderen heeft, iedere vrijdag na schooltijd met de kinderen naar [plaats 1] , waar zij het weekend doorbrengen met de partner van de vrouw. De partner van de vrouw reist op zondag met de vrouw en de kinderen naar [plaats 2] en blijft daar dan tot maandag of dinsdag. De vrouw stelt dat zij niet met pendelen kan stoppen omdat de kinderen inmiddels family life met haar partner hebben opgebouwd en dan de mogelijkheid om als gezin samen te zijn grotendeels vervalt.
Dat de kinderen last hebben van het vele reizen tussen [plaats 2] en [plaats 1] is voorstelbaar, maar de oplossing daarvoor ligt, zoals hiervoor overwogen, bij de moeder. De versnippering en het bijbehorende gevoel van ontheemding, wordt bovendien niet opgelost door toestemming voor verhuizing naar [plaats 1] . Ook in dat geval zouden de kinderen nog veel heen en weer moeten reizen en geconfronteerd worden met twee heel uiteenlopende woonomgevingen en sociale netwerken. Dat het voor de kinderen noodzakelijk is om veel in [plaats 1] te zijn om familieleven met de nieuwe partner van de moeder uit te kunnen oefenen, volgt de rechtbank niet, aangezien de nieuwe partner in de huidige situatie twee dagen per week in [plaats 2] verblijft. De rechtbank merkt in dit kader bovendien op dat de moeder er met haar verzoek kennelijk vanuit gaat dat er meer gewicht toegekend moet worden aan het recht van haar nieuwe partner om familieleven met de kinderen uit te oefenen, dan het recht van de vader daarop. Als de rechtbank toestemming zou geven voor de verhuizing naar [plaats 1] , zou het voor de kinderen belangrijke contact met hun vader ingrijpend gewijzigd worden – zowel in aard als in omvang – en zouden dus de gevolgen van de keuze van de moeder en haar nieuwe partner op hen worden afgewenteld. Daarbij komt dat de voorgenomen verhuizing nog meer ingrijpende gevolgen voor de kinderen heeft. De kinderen gaan momenteel in (de buurt van) [plaats 2] naar school, gaan daar naar sport, hebben daar hun vrienden en een groot deel van hun familie. Dat verhuizing naar [plaats 1] in het belang van de kinderen is volgt de rechtbank dan ook niet.
Dat het niet eenvoudig zal zijn voor de nieuwe partner van de moeder om in de regio [plaats 2] een tuinderij op te starten die vergelijkbaar is met zijn onderneming in [plaats 1] , kan zo zijn. Het is echter wel een keuze van de moeder en haar nieuwe partner om vast te houden aan hun wens om een dergelijke onderneming te exploiteren en de zoektocht naar arbeidsmogelijkheden in de omgeving van [plaats 2] daartoe te beperken. Dat is een keuze die zij mogen maken, maar de gevolgen van die keuze mogen naar het oordeel van de rechtbank niet op de kinderen en de vader worden afgewenteld. Daarbij neemt de rechtbank ook in ogenschouw dat de vrouw alternatieven voor een (volledige) verhuizing naar [plaats 1] niet wil overwegen. De vader heeft bijvoorbeeld ter zitting aangegeven dat hij bereid is om de volledige zorg voor de kinderen te dragen als hij aan wal is, zodat de moeder in de gelegenheid is om veel vaker in [plaats 1] te zijn dan nu het geval is.
Ten aanzien van de door de moeder gestelde wijziging in de financiële omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt. De moeder heeft aangevoerd dat zij verwacht in [plaats 1] inkomen te kunnen verwerven, terwijl zij daartoe in [plaats 2] niet in staat is. Deze wens en verwachting heeft de moeder ook in de vorige procedure naar voren gebracht, en evenals tijdens de vorige procedure heeft de moeder nog altijd geen concrete plannen voor de wijze waarop zij inkomen zou willen verwerven. Dat de zorg voor de kinderen de moeder zwaar valt, mede in verband met haar medische problematiek, is ook al in de eerdere uitspraken meegewogen. De moeder heeft ervoor gekozen om geen gebruik te maken van de door de vader aangedragen oplossingen om haar bij te staan in de dagelijkse zorg voor de kinderen, zodat zij zich in [plaats 2] op de arbeidsmarkt kan oriënteren. Ook dat is een keuze die de moeder mag maken, maar waarvan de gevolgen niet opwegen tegen het belang van de kinderen om in [plaats 2] te blijven wonen. Dat de beëindiging van de partneralimentatie zou leiden tot onoverkomelijke financiële problemen, als gevolg waarvan de belangenafweging nu anders zou moeten uitvallen dan in 2024, is door de moeder niet concreet onderbouwd, evenmin als haar suggestie dat een verhuizing naar [plaats 1] een oplossing zou bieden voor de financiële problemen waarvoor zij vreest. Het eindigen van de partneralimentatie leidt daarom niet tot een andere uitkomst van de belangenafweging in onderhavige procedure.
De rechtbank stelt vast dat er verder door partijen geen belangen zijn aangevoerd die niet reeds zijn meegewogen in de eerdere beslissing. De rechtbank zal gezien het voorgaande, alle belangen tegen elkaar afwegende, het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing met de kinderen naar [plaats 1] wederom afwijzen. De met de verhuizing samenhangende verzoeken van de moeder tot vervangende toestemming voor inschrijving van de kinderen op scholen, bij een tandarts en huisarts in [plaats 1] en tot wijziging van de zorgregeling worden daarom ook afgewezen.
Omdat de rechtbank geen vervangende toestemming verleent voor de verhuizing, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de voorwaardelijke zelfstandige verzoeken van de vader die verbonden zijn aan het scenario waarin de toestemming voor de verhuizing wel zou worden verleend.

Beslissing

De rechtbank:
wijst de verzoeken van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.F. Baaij, A.P. de Klerk en R.S. Matthijssen, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 april 2026.