De moeder verzocht de rechtbank om vervangende toestemming om met haar twee minderjarige kinderen naar Groningen te verhuizen, inclusief wijziging van de zorgregeling en inschrijving op scholen aldaar. De vader verzette zich tegen deze verhuizing en deed tevens zelfstandige verzoeken.
De rechtbank stelde vast dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden, zoals het aflopen van de partneralimentatie per 1 januari 2027, maar dat deze wijziging niet doorslaggevend was voor een positieve belangenafweging. De rechtbank overwoog dat het pendelen tussen woonplaatsen voor de kinderen geen rechtens relevante wijziging vormt en dat het familieleven met de nieuwe partner van de moeder ook in de huidige woonplaats kan worden uitgeoefend.
De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het belang van de kinderen en de vader om in de vertrouwde omgeving te blijven wonen zwaarder weegt dan het recht van de moeder om te verhuizen. De rechtbank wees erop dat de verhuizing grote gevolgen zou hebben voor het contact tussen vader en kinderen en dat de moeder geen concrete plannen had om haar financiële situatie te verbeteren in Groningen.
Daarom wees de rechtbank het verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing, wijziging van de zorgregeling en inschrijving op scholen af. De voorwaardelijke zelfstandige verzoeken van de vader werden niet inhoudelijk behandeld omdat de verhuizing niet werd toegestaan.