ECLI:NL:RBDHA:2026:14480

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
NL26.7462 en NL26.7463
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 5 lid 1 DublinverordeningArt. 17 lid 1 DublinverordeningArt. 18 lid 1 onder d Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen overdracht aan Portugal op grond van Dublinverordening

Eiser, een asielzoeker uit Gambia, diende op 5 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in, die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Portugal verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.

Eiser voerde aan dat er sprake is van systematische tekortkomingen in de Portugese asielprocedure en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast kan worden. Hij stelde dat zijn Dublingehoor te kort was en dat hij onvoldoende gelegenheid had gehad om zijn ervaringen in Portugal toe te lichten.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in dit geval van toepassing is, omdat eiser geen objectieve documenten heeft overlegd die aantonen dat hij een reëel risico loopt op een schending van zijn rechten in Portugal. De rapporten over Portugal tonen wel problemen, maar niet van dien aard dat sprake is van structurele tekortkomingen die een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro rechtvaardigen.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.G. Vegter.

Uitkomst: Het beroep tegen de overdracht aan Portugal wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.7462 (beroep)
NL26.7463 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser en verzoeker (hierna: eiser),

geboren op [geboortedag] 1997, van Gambiaanse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. A. Menschaart).

Inleiding

1. Eiser heeft op 5 december 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij het bestreden besluit van 9 februari 2026 heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Volgens de minister is Portugal verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
1.1
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat hij niet wordt overgedragen totdat op zijn beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. A.T. Bosman als waarnemer van de gemachtigde van eiser, E. Touray-Sonko als tolk in de taal Mandika en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep en het verzoek van eiser aan de hand van de gronden die eiser heeft aangevoerd.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en Portugal verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [1] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 29 augustus 2022 een verzoek om internationale bescherming in Portugal heeft ingediend. Nederland heeft daarom op 20 januari 2026 aan Portugal een verzoek om terugname gedaan. De Portugese autoriteiten hebben dit verzoek op 29 januari 2026 geaccepteerd. [3]
De beroepsgronden van eiser
4. Eiser stelt dat er sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en dat om die reden niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Portugal. Ook is de minister volgens eiser verplicht om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening wanneer een lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt. [4] Op zitting heeft eiser verklaard dat zijn asielaanvraag in Portugal is afgewezen, maar dat hij zijn Portugese advocaat nooit heeft gesproken of heeft gezien. Eiser heeft pas vernomen dat zijn aanvraag was afgewezen toen zijn recht op opvang werd stopgezet en hij als gevolg daarvan op straat heeft geleefd. Eiser verwijst ter ondersteuning naar het AIDA [5] rapport update 2024 van september 2025 over Portugal.
4.1.
Verder stelt eiser dat de minister is tekortgeschoten in het Dublingehoor. Volgens eiser is het gehoor dusdanig kort dat niet meer kan worden gesteld dat hij in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over hetgeen hij in Portugal heeft meegemaakt. Het gehoor heeft slechts 24 minuten geduurd waarbij de vragen met betrekking tot Portugal slechts beperkt zijn tot drie vragen. Eiser had meer vragen nodig om zijn persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen om over zijn ervaringen in Portugal te kunnen vertellen. Hij heeft mentale problemen, heeft jaren op straat gewoond en een vriend van eiser is vermoord. Doordat er minder vragen zijn gesteld ontbreken de waarborgen tegen overdracht en daarmee schendt de minister volgens eiser artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening. Daarnaast is er in de zienswijze gevraagd om garanties dat de brochures die aan eiser zijn verstrekt in het Mandika waren, omdat dit de taal is die hij verstaat. Deze garanties zijn volgens eiser niet gegeven.
De beoordeling van het beroep
5. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister in beginsel ervan uit mag gaan dat Portugal zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Portugal niet in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM [6] en artikel 4 van Pro het Handvest [7] . Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Portugal, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Portugese autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Portugal overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Portugal. Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [8]
6. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Portugal. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
6.1.
Uit de AIDA- rapporten, updates van 2023 en 2024, volgt dat er problemen zijn met toegang tot opvangvoorzieningen, er sprake is van procedurele tekortkomingen en asielzoekers in het algemeen worden geconfronteerd met de nodige moeilijkheden. Hieruit blijkt echter niet dat de algemene situatie voor Dublinterugkeerders in Portugal zó slecht is dat zij structureel, op grote schaal en voor langere periodes het reële risico lopen dat zij daadwerkelijk geen toegang hebben tot fundamentele behoeften. In dat kader is van belang dat in paragraaf 2.7
The situation of Dublin returneesop pagina 79 van het AIDA-rapport, update 2024, is opgenomen dat Dublin-terugkeerders in de praktijk geen relevante of systematische obstakels ondervinden bij de toegang tot de Portugese opvang- en asielprocedure. Dat betekent dat er in beginsel geen sprake is van zodanige systeemfouten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel van 4 van het Handvest.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft namelijk geen objectieve documenten overlegd, bijvoorbeeld ter onderbouwing van zijn stelling dat hij geen toegang had tot rechtsbijstand. Ook aan eisers verklaringen over zijn eerdere ervaring met de asiel- en opvangsystemen in Portugal kan weinig betekenis worden gegeven, nu eiser wordt overgedragen als Dublinclaimant. Bovendien hebben de Portugese autoriteiten met het claimakkoord van 29 januari 2026 gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Het ligt op de weg van eiser om bij eventuele tekortkomingen te klagen bij de Portugese autoriteiten. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
6.3.
Ten aanzien van het gehoor van eiser is de rechtbank met eiser van oordeel dat het inderdaad een kort gehoor is geweest. Echter, nu de rechtbank van oordeel is dat in het geval van eiser kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zouden meer vragen over zijn eerdere ervaringen in Portugal, zoals eiser wenst, niet tot een ander oordeel hebben geleid. Hetzelfde geldt ten aanzien van de gevraagde garanties over de brochures die aan eiser zijn verstrekt. Ook deze beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

7. Uit hetgeen onder rechtsoverwegingen 5 tot en met 6.3. is overwogen volgt dat het beroep ongegrond is.
8. Omdat met deze uitspraak op het beroep is beslist, bestaat voor de gevraagde voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek hiertoe zal daarom worden afgewezen.
9. Voor een vergoeding van de proceskosten van eiser bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL26.7462:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.7463:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.
4.Eiser verwijst daarvoor naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 12 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9339.
5.Asylum Information Database.
6.Europees verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
7.Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
8.Zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo.