AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Tussenuitspraak over onvoldoende gemotiveerde afwijzing asielaanvraag Belarus
Eiser, een man van Belarussische nationaliteit, diende op 17 februari 2024 een asielaanvraag in vanwege vermeende vervolging na deelname aan een demonstratie tegen Loekasjenko in november 2020. De minister wees de aanvraag op 11 december 2025 af als kennelijk ongegrond, onder meer omdat de problemen vanwege deelname aan de demonstratie niet geloofwaardig werden geacht en eiser zijn asielaanvraag niet spoedig had ingediend.
In beroep betoogt eiser dat de minister artikel 4 vanPro de Kwalificatierichtlijn onjuist toepaste, onvoldoende rekening hield met zijn medische situatie en psychische gesteldheid, en dat de minister de verklaringen over zijn ontsnapping uit het ziekenhuis en hulp bij vertrek uit Belarus ten onrechte ongeloofwaardig achtte. Ook stelt hij dat de minister onvoldoende rekening hield met sociaaleconomische omstandigheden en de verklaringen van zijn ouders.
De rechtbank concludeert dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en op meerdere punten niet deugdelijk is gemotiveerd, onder meer over de motivering van het niet kunnen verkrijgen van documenten, de geloofwaardigheid van de ontsnapping en de verklaringen van ouders. De minister krijgt vier weken de tijd om deze gebreken te herstellen met een aanvullende motivering of een nieuw besluit. De rechtbank houdt verdere beslissing aan tot de einduitspraak.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd is en geeft de minister vier weken om de gebreken te herstellen.
Uitspraak
tussenuitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.61356 T V-nummer: [v-nummer]
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1988, van Belarussische nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 17 februari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.1 Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, E. Batalova als tolk in de Russische taal, en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft - kort samengevat - het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Op 1 november 2020 heeft eiser samen met zijn vader deelgenomen aan een demonstratie tegen Loekasjenko georganiseerd door [naam 2] . Toen de politie kwam is eiser door hen geslagen en meegenomen naar het bureau. Daar werd hij beschuldigd van het organiseren van ongeregeldheden, verraad en verzet tegen de militie. Op 8 november 2020 is hij op het bureau hard op zijn nek geslagen waarna hij naar het ziekenhuis is gebracht.
lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000.
Een dag later, op 9 november, werd eiser daar wakker en is hij via een open raam ontsnapt en heeft hij met hulp van een reisagent Belarus verlaten. Eiser wordt nu gezocht door de autoriteiten. Bij terugkeer vreest hij een gevangenisstraf.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst; en
2. problemen vanwege deelname aan de demonstratie op 1 november 2020.
3.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Dat eiser problemen heeft vanwege zijn deelname aan de demonstraties vindt de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen onvoldoende met documenten onderbouwd. Hij krijgt niet het voordeel van de twijfel2 omdat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te onderbouwen.3 Ook heeft hij geen goede verklaring voor het ontbreken van relevante documenten.4 Verder vormen de verklaringen van eiser over dit asielmotief volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel.5 Daarnaast heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en hij heeft daar geen goede verklaring voor.6 Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft het geloofwaardig geachte asielmotief een vrees voor vervolging heeft7 of een reëel risico op ernstige schade loopt8 bij terugkeer naar Belarus. Ook vindt de minister de vrees vanwege zijn politieke overtuiging niet aannemelijk. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.9 De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit en
een inreisverbod van twee jaar opgelegd.10
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert - kort samengevat - het volgende aan. Eiser stelt primair dat de minister artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn11 (Kri) onjuist heeft toegepast omdat eiser niet daadwerkelijk over documenten beschikt.
4.1.
Subsidiair betoogt eiser dat zijn problemen vanwege de deelname aan de demonstratie wel geloofwaardig zijn. Allereerst had de minister niet mogen tegenwerpen dat eiser onvoldoende documenten heeft gegeven. Hij heeft immers geen documentatie ontvangen van zijn arrestatie, zijn ziekenhuisopname in Zwitserland in 2010 en zijn ziekenhuisopname in Belarus in 2020. Daarnaast kan de tegenwerping dat hij wisselend zou hebben verklaard over de afgifte van documenten door de autoriteiten, zonder nadere
motivering geen stand houden. Verder onderbouwen de Nederlandse medische stukken de aannemelijkheid van de gebeurtenissen en de daardoor ontstane klachten van eiser.
Bovendien heeft de minister, zonder een forensisch medisch onderzoek (FMO) uit te hebben gevoerd, niet kunnen stellen dat een causaal verband ontbreekt tussen zijn (blijvende) letsel en de gestelde gebeurtenissen. Voor wat betreft de medische documenten uit Zwitserland had het op de weg van de minister gelegen deze in het kader van de samenwerkingsverplichting op te vragen. Daarnaast kan van eiser niet verlangd worden dat hij zijn identiteitsdocumenten vanuit Duitsland naar Nederland laat versturen, nu hij de contactgegevens van de persoon die de documenten bezit niet meer heeft.
4.2.
Ten aanzien van de verklaringen voert eiser aan dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd waarom eisers ontsnapping uit het ziekenhuis en de hulp die hij daarna ontving ongerijmd zijn. Dat eiser geholpen is door een reisagent verklaart dat hij Belarus in korte tijd heeft kunnen verlaten.
4.3.
Verder had de minister niet mogen tegenwerpen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, nu onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische gesteldheid.
4.4.
Bij terugkeer naar Belarus heeft eiser wel degelijk een gegronde vrees voor vervolging en loopt hij een reëel risico op ernstige schade vanwege zijn politieke overtuiging. Als deelnemer van massale demonstraties georganiseerd door de oppositie staat hij in de negatieve aandacht van de autoriteiten. Zijn aanwezigheid op een lijst van gezochte personen, de verklaringen van zijn ouders en de aanhouding, de mishandeling, en gerichte ondervraging, ondersteunen dit. Daarbij komt dat hij zijn politieke overtuiging heeft geuit en hij dat in de toekomst wil blijven doen.
4.5.
Verder had de minister eiser een verblijfsvergunning asiel moeten verlenen op grond van het traumatabeleid12 omdat hij is mishandeld door de autoriteiten.
4.6.
Tot slot heeft de minister ten onrechte nagelaten de sociaaleconomische omstandigheden bij de individuele belangenafweging te betrekken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In deze tussenuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en het besluit op een aantal punten onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid om deze gebreken te herstellen en doet daarom een tussenuitspraak. Hieronder legt de rechtbank haar oordeel uit.
Beroepsgrond 1 - toepassing artikel 4 vanPro de Kri en bewijslast
6. Eiser voert aan dat de minister artikel 4, vijfde lid, van de Kri13, onjuist heeft toegepast door uit te gaan van een veronderstelde beschikbaarheid van documenten, en
daarmee een onjuiste verzwaarde bewijslast hanteert. Eiser beschikt namelijk niet over die documenten en kan daar redelijkerwijs ook niet over beschikken.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank berust deze beroepsgrond op een onjuiste lezing van artikel 4 vanPro de Kri, zoals geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. Op grond van dat artikel past de minister een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling toe. Wanneer een vreemdeling zijn verklaringen onvoldoende met documenten heeft onderbouwd, wordt beoordeeld of het voordeel van de twijfel kan worden gegeven aan de hand van de voorwaarden zoals vastgelegd in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. Dat eiser stelt niet over documenten te beschikken, laat onverlet dat dit artikellid van toepassing is. Immers is dat lid juist bedoeld voor gevallen waarin de vreemdeling zijn verklaringen niet (volledig) met documenten kan onderbouwen. Voor zover de minister in het bestreden besluit het ontbreken van documenten tegenwerpt, leest de rechtbank dit niet als een vereiste voor onderbouwing van het relaas, maar als het ontbreken van een toereikende verklaring voor het niet beschikken over documenten. De minister mag immers verwachten dat eiser uitlegt waarom hij die documenten niet heeft. Dit heeft bijgedragen aan de conclusie van de minister dat aan eiser niet het voordeel van de twijfel toekomt. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn standpunt dat het besluit, in het algemeen, noch op individuele onderdelen, uitgaat van een te hoge bewijslast.
Beroepsgrond 2 - reactie op standpunt uit zienswijze
7. In beroep stelt eiser dat de minister ten onrechte voorbijgaat aan dat wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd over de documenten van zijn arrestatie door slechts te stellen dat sprake is van herhaling. Op dit punt is het besluit volgens eiser onvoldoende gemotiveerd.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een motiveringsgebrek. Ook hier berust de beroepsgrond naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste lezing van het besluit. De minister heeft eiser tegengeworpen dat hij niet is ingegaan op de landeninformatie over de documentatie van arrestaties waar in het voornemen aan wordt gerefereerd. Gelet op de door de minister verstrekte informatie had het op de weg van eiser gelegen om daar nader op in te gaan. Dat heeft eiser niet gedaan en om die reden heeft de minister mogen stellen dat eiser slechts heeft herhaald wat hij al in het nader gehoor heeft verklaard.
Beroepsgrond 3 - beschikbaarheid documenten van arrestatie
8. Ten aanzien van de documentatie van de arrestatie stelt eiser dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom moet worden aangenomen dat eiser dergelijke documenten heeft ontvangen en waarom eiser daarover zou kunnen beschikken. Ook hier past de minister artikel 4 vanPro de Kri onjuist toe.
8.1.
Eisers uitgangspunt dat de minister moet onderbouwen waarom eiser over bepaalde documenten had kunnen beschikken, berust ook hier op een verkeerde lezing van het besluit. Zoals overwogen in rechtsoverweging 6.1. vereist de minister geen bewijs van de gestelde arrestatie, maar mag hij wel van eiser verwachten dat hij een bevredigende verklaring geeft voor het ontbreken van de desbetreffende documenten. Eiser dient inzichtelijk te maken waarom hij niet in staat is geweest de documenten te verkrijgen. De rechtbank vindt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat die verklaring van eiser verwacht kan worden.
Beroepsgrond 4 - verklaringen over het spreken met autoriteiten over documenten
9. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende geconcretiseerd heeft dat eiser wisselend zou hebben verklaard over het al dan niet spreken met de autoriteiten. Dit levert volgens eiser een motiveringsgebrek op. Door bovendien geen nadere vragen over de vermeende tegenstrijdigheid te stellen tijdens het gehoor is ook sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het voornemen wel geconcretiseerd om welke verklaringen het gaat en waarom die als wisselend zijn beoordeeld.14 Zo heeft eiser eerst verklaard dat de autoriteiten de documenten niet wilden geven, en later dat hij ze daar niet echt over gesproken heeft.15 Er is dan ook geen sprake van een motiveringsgebrek. Weliswaar is eiser tijdens het nader gehoor niet met deze wisselende verklaring geconfronteerd, maar eiser heeft in ruime mate de gelegenheid gehad om te reageren op vermeende wisselende verklaringen en te verklaren over de elementen die de minister als ongeloofwaardig bestempelt. Zo had eiser met de correcties en aanvullingen, in de zienswijze, in beroep of ter zitting kunnen verduidelijken hoe het precies is gegaan bij de autoriteiten. Dit heeft hij echter niet gedaan. Gelet op wat de rechtbank in rechtsoverweging 6.1. heeft overwogen, mocht de minister dit wel van eiser verwachten. Dit is, zoals eerder overwogen, niet hetzelfde als een verzwaring van de bewijslast. Het is volgens de rechtbank dan ook niet gebleken dat het besluit op dit punt onzorgvuldig tot stand is gekomen.
Beroepsgrond 5 - identiteitspapieren uit Duitsland en tijdsverloop
10. Ten aanzien van de identiteitspapieren in Duitsland voert eiser aan dat de minister het besluit op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd door enkel te verwijzen naar het tijdsverloop, zonder daarbij te motiveren waarom dat tijdsverloop relevant is. Daarnaast zijn de individuele omstandigheden van eiser niet bij de beoordeling betrokken, wat volgens eiser een zorgvuldigheidsgebrek oplevert.
10.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. In de context van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 is het tijdsverloop wel degelijk relevant, nu van eiser een verklaring mag worden verwacht voor het ontbreken van documenten. De minister heeft in dat verband mogen betrekken dat niet is gebleken dat eiser na het nader gehoor van 5 december 2025 pogingen heeft ondernomen om alsnog aan die documenten te komen. Dit klemt te meer nu eiser op de zitting heeft verklaard te weten waar de persoon die zijn documenten heeft zich in Duitsland bevindt. Onder die omstandigheden heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat mede gelet op het tijdsverloop van eiser had mogen worden verwacht dat hij concrete stappen had gezet om zijn documenten te verkrijgen. Van een zorgvuldigheidsgebrek is dan ook geen sprake.
Beroepsgrond 6 - identiteitspapieren uit Duitsland laten opsturen
11. De minister heeft eiser tegengeworpen dat hij niet heeft toegelicht waarom verzending van zijn identiteitsdocumenten vanuit Duitsland geen mogelijkheid was. Eiser heeft, eerst in de zienswijze en later ook in beroep, aangevoerd dat hij de contactgegevens niet meer heeft van degene die over zijn documenten beschikt. Ter zitting heeft de minister
hierop gereageerd door te stellen dat eiser inspanningen had kunnen verrichten om aan de contactgegevens te komen.
11.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het standpunt van de minister de tegenwerping dat eiser de documenten had kunnen laten opsturen niet onderbouwen. De minister heeft met dit standpunt immers niet onderbouwd waarom de toelichting dat eiser die contactgegevens niet heeft voor de minister onvoldoende is. De rechtbank constateert dan ook dat sprake is van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.
Beroepsgrond 7 - verklaring over het hersenletsel in 2009
12. Op de zitting heeft de minister de tegenwerping dat eiser het hersenletsel in 2009 pas in de zienwijze naar voren heeft gebracht, laten vallen omdat eiser hier inderdaad al tijdens het nader gehoor over heeft verklaard.
Beroepsgrond 8 - medische documenten uit Belarus
13. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom van eiser verwacht mocht worden dat hij de medische documenten uit Belarus zou overleggen, nu niet vaststaat dat hij deze documenten kan verkrijgen. De minister heeft ook in dit kader artikel 4 vanPro de Kri onjuist toegepast. Daarnaast is het besluit op dit punt onzorgvuldig tot stand gekomen nu de minister geen nader onderzoek heeft verricht naar de beschikbaarheid van de documenten en ook niet is ingegaan op de overgelegde Nederlandse stukken.
13.1.
Zoals in rechtsoverweging 6.1. overwogen, mag de minister van eiser verwachten dat hij voldoende uitlegt waarom hij over bepaalde documenten niet beschikt. Anders dan eiser stelt, lag het dus op de weg van eiser om toe te lichten waarom hij geen medische documenten uit Belarus heeft. Het is dan ook niet zo dat de minister nader onderzoek had moeten doen naar de beschikbaarheid van dergelijke documenten. Los daarvan kunnen de Nederlandse medische stukken naar hun aard geen duidelijkheid bieden over het in Belarus opgelopen letsel, omdat die anders dan het bestaan van het letsel, niets zeggen over hoe het letsel is ontstaan. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Beroepsgrond 9 - medische stukken en causaal verband
14. In beroep betoogt eiser dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarop hij baseert dat uit de overlegde medische stukken uit Nederland een causaal verband met het asielrelaas ontbreekt. Daarnaast is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek omdat de minister geen deskundigenonderzoek naar dat causale verband heeft laten verrichten.
14.1.
Zoals hiervoor in rechtsoverweging 13.1 overwogen blijkt uit de Nederlandse medische stukken niet hoe het letsel is ontstaan en onderbouwen deze dan ook niet dat de klachten verband zouden houden met eisers asielrelaas. Met de minister is de rechtbank het eens dat, bij de huidige bewijspositie, geen nader medisch onderzoek geïnitieerd had hoeven worden, juist ook gelet op het feit dat hier in Nederland medisch onderzoek zou zijn verricht. Eiser heeft immers bij de zienswijze medische stukken overgelegd waaruit volgt dat hij voor zijn klachten in 2024 een afspraak had bij de neuroloog. Van dit medische onderzoek heeft eiser geen documenten overgelegd. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Beroepsgrond 10 - FMO
15. Eiser betoogt dat de minister een nader medisch onderzoek had moeten initiëren omdat er medische aspecten zijn die een rol spelen bij de plausibiliteitsbeoordeling. Door dit
na te laten is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen. Daarbij komt dat de minister volgens eiser ook onvoldoende gemotiveerd heeft waarom een FMO geen toegevoegde waarde zou hebben.
15.1.
De rechtbank is het met de minister eens dat het bij de bewijspositie zoals deze nu is, onduidelijk is wat de aard van de klachten is en in hoeverre de klachten verband houden met het asielrelaas. Eiser heeft naast de Nederlandse medische stukken geen verdere documenten overgelegd die zien op zijn klachten, ook niet van de afspraak bij de neuroloog in Nederland. Bij die bewijspositie heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien nader onderzoek te initiëren. De motivering van de minister dat een FMO verder geen toegevoegde waarde heeft, volstaat dan ook.
Beroepsgrond 11 - verklaringen over ontsnapping uit het ziekenhuis
16. Ten aanzien van de verklaringen over zijn ontsnapping uit het ziekenhuis voert eiser aan dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom deze als tegenstrijdig worden beschouwd. Ook heeft de minister niet de medische kennis om te stellen dat het gelet op eisers klachten ongerijmd zou zijn dat hij kon ontsnappen.
16.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers verklaringen over zijn ontsnapping uit het ziekenhuis logisch navolgbaar en innerlijk consistent. De verklaring dat hij via het raam ontsnapt is, is niet tegenstrijdig met zijn verklaring dat er militie in het ziekenhuis aanwezig was. Weliswaar heeft eiser verklaard dat er altijd militie aanwezig is op de intensive care afdeling, maar hij heeft ook verklaard dat hij niet weet of hij zelf bewaakt werd en dat er misschien wel iemand achter de deur stond.16 Bovendien stelt eiser dat hij vroeg in de ochtend is ontsnapt.17 De minister heeft zonder nadere motivering onvoldoende onderbouwd waarom zijn verklaringen ongerijmd zouden zijn. De rechtbank constateert dan ook dat sprake is van een motiveringsgebrek. Voor zover er tegenwerpingen worden gedaan over de medische situatie van eiser en zijn vermogen om in die hoedanigheid te vluchten, zijn deze juist gelet op de hiervoor besproken lacunes over de medische informatie niet navolgbaar. Op dit punt is het besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen.
Beroepsgrond 12 - medische stukken uit Zwitserland
17. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom van hem verwacht mag worden dat hij medische documenten uit Zwitserland kan verkrijgen. De minister hanteert ook hier een onjuiste toepassing van artikel 4 vanPro de Kri.
17.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Gelet op artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 en wat in rechtsoverweging 6.1. is overwogen, heeft de minister terecht van eiser verlangd dat hij verklaart waarom hij zijn medisch situatie niet nader heeft onderbouwd door stukken op te vragen uit Zwitserland. Eiser heeft daar enige tijd verbleven en heeft daar ook naar eigen zeggen medische onderzoeken gehad die voor het door hem in het kader van zijn asielrelaas gestelde hersenletsel van belang kunnen zijn. Bovendien is het geen onredelijke verwachting om er vanuit te gaan dat Zwitserland een goed functionerend administratief systeem in de zorg heeft, zodat navraag gedaan kan worden naar het eigen medische dossier. Dat de stukken mogelijk niet meer beschikbaar zijn, doet hier naar het oordeel van de
rechtbank niet aan af. Ook in dat geval had van eiser mogen worden verwacht dat hij aantoonbaar een poging had gedaan om die stukken te verkrijgen.
Beroepsgrond 13 - opvragen asieldossier Zwitserland en samenwerkingsverplichting
18. Eiser betoogt dat de minister in het kader van de samenwerkingsverplichting de medische stukken, die onderdeel uitmaken van het asieldossier van zijn asielaanvraag in Zwitserland in 2010, bij de Zwitserse autoriteiten had moeten opvragen nu daaruit volg dat hij toen al medische klachten had. Door dit na te laten is de besluitvorming onzorgvuldig geweest.
18.1.
In het licht van wat in rechtsoverweging 6.1. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het niet op de weg van de minister had gelegen om de medische stukken te achterhalen. Daarbij komt dat het in eerste instantie aan eiser is om zijn asielrelaas zo veel mogelijk met documenten te onderbouwen. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Beroepsgrond 14 - relevantie van hersenletsel in 2009 voor de huidige asielprocedure
19. In het bestreden besluit stelt de minister enerzijds dat het in 2009 opgelopen hersenletsel geen onderdeel uitmaakt van het asielrelaas, maar werpt eiser anderzijds tegen dat hij geen goede verklaring heeft voor het ontbreken van het medische dossier uit 2010. Op de zitting heeft de minister deze tegenwerping laten vallen.
Beroepsgrond 15 - verklaringen over de reisagent
20. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn verklaring over de wijze waarop hij met behulp van een reisagent Belarus heeft verlaten, als onvoldoende en ongeloofwaardig wordt aangemerkt.
20.1.
Op de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij voorafgaand aan zijn vertrek concrete afspraken had gemaakt met een reisagent over een mogelijke vlucht. De rechtbank leest het nader gehoor echter anders. Uit het gehoor blijkt immers niet dat eiser een vooraf gearrangeerde afspraak met een reisagent had. Uit zijn verklaringen komt juist naar voren dat hij iemand kende die betrokken was bij het verlenen van hulp bij uitreizen. Zo heeft eiser verklaard dat hij deze persoon al eerder had ontmoet en dat deze hem toen had meegedeeld dat hij naar het café kon komen als er iets aan de hand was.18 Nu de minister geen nadere motivering heeft gegeven voor de ongeloofwaardigheid van eisers verklaring, kan deze tegenwerping geen stand houden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt een motiveringsgebrek bevat.
Beroepsgrond 16 - niet zo spoedig mogelijk indienen van de asielaanvraag
21. Ten onrechte heeft de minister volgens eiser tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend nu geen rekening is gehouden met eisers individuele omstandigheden. Daarnaast heeft de minister ook niet gemotiveerd waarom deze omstandigheden onvoldoende zwaarwegend zijn.
21.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft van 2020 tot 2023 illegaal in Duitsland verbleven en was vervolgens van december 2023 tot 13 februari 2024 illegaal in Rotterdam. Eiser stelt in beroep dat hij zich in een kwetsbare positie bevond vanwege zijn
24.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank uitvoering gegeven aan zijn onderzoeksplicht door na te gaan of er informatie beschikbaar is over eisers gestelde detentie en de problemen met de autoriteiten. De minister heeft in het besluit gemotiveerd uiteengezet dat eiser zijn aanhouding en negatieve belangstelling niet aannemelijk heeft gemaakt nu zijn naam niet op de [naam 1] -lijst van gearresteerde demonstranten staat en hij ook niet heeft onderbouwd dat er een strafzaak tegen hem bestaat. In het licht van de systematiek van artikel 31, zesde lid van de Vw 2000, zoals in rechtsoverweging 6.1. besproken, had het op de weg van eiser gelegen om nadere context en duiding te geven waarom die lijst in zijn geval niet van belang is. De minister heeft dat wat eiser heeft aangevoerd onvoldoende mogen vinden. Van een onvoldoende gemotiveerd of onzorgvuldig tot stand gekomen besluit is dan ook geen sprake.
Beroepsgrond 20 - risico bij terugkeer en verklaringen ouders
25. In het kader van het risico bij terugkeer voert eiser aan dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de verklaringen van eisers ouders over de negatieve belangstelling onvoldoende worden geacht.
25.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan de verklaringen van eisers ouders geen waarde toekomt. Daarbij heeft de
minister onvoldoende toegelicht hoe de [naam 1] -lijst zich verhoudt tot dat wat eisers ouders hebben verklaard. De minister heeft deze verklaringen dan ook niet zonder nadere motivering terzijde mogen schuiven. Op dit punt bevat het bestreden besluit dus een motiveringsgebrek.
Beroepsgrond 21 - risico bij terugkeer en politieke overtuiging
26. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn uitingen en gedragingen geen blijk geven van een politieke overtuiging en dat daarbij niet is ingegaan op andere vormen van politieke expressie.
26.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister mogen vinden dat eiser geen zodanig sterke politieke overtuiging heeft dat hij daardoor een risico loopt bij terugkeer. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser geen speciale, onderscheidende rol had tijdens de demonstraties.19 Ook heeft eiser verklaard dat hij automatisch meedeed als hij vanuit zijn werk naar huis ging omdat de demonstraties plaatsvonden in het centrum, waar hij woonde.20 De minister heeft verder mogen betrekken dat eiser in Nederland zijn overtuiging niet voldoende actief of zichtbaar heeft geuit om een risico bij terugkeer aan te nemen. Weliswaar is eiser in Nederland eenmalig aanwezig geweest bij een bijeenkomst met [naam 2] , maar daarmee is nog niet onderbouwd dat eiser in de negatieve belangstelling staat bij de Belarussische autoriteiten en dat hij bij terugkeer naar Belarus een reëel risico loopt op de negatieve gevolgen ervan. Daarnaast biedt het plaatsen van reacties onder nieuwsitems onder een anonieme naam, zonder directe herleidbaarheid naar eiser, onvoldoende grond om aan te nemen dat de Belarussische autoriteiten op de hoogte zijn van eisers politieke overtuiging. De enkele stelling dat eiser vanwege privé-uitingen risico loopt op vervolging, is, zonder nadere onderbouwing, onvoldoende. Het is immers in de eerste plaats aan eiser om zijn asielrelaas zo volledig mogelijk te onderbouwen en aannemelijk te maken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Beroepsgrond 22 - traumatabeleid
27. Voor zover eiser aanvoert dat hij op grond van het traumatabeleid een verblijfsvergunning had moeten krijgen, slaagt deze beroepsgrond niet. Gelet op wat hiervoor is overwogen en de gesignaleerde onduidelijkheden ten aanzien van het causale verband tussen de medische klachten van eiser en de gestelde gebeurtenissen, bestond er bij de huidige bewijspositie geen noodzaak tot toepassing van het traumatabeleid.
Beroepsgrond 23 - oplegging van het inreisverbod
28. Ten aanzien van het inreisverbod voert eiser aan dat de minister de door eiser aangevoerde sociaaleconomische omstandigheden ten onrechte niet heeft betrokken bij de belangenafweging.
Conclusie en gevolgen
29. Zoals hiervoor is overwogen onder rechtsoverweging 11.1., 16.1., 20.1., 25.1. en
28.1.
is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd23. De rechtbank kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen24 en doet dan een tussenuitspraak25. De rechtbank ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil in dit geval aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:51a van de Awb. Dat betekent dat de minister in de gelegenheid wordt gesteld om de geconstateerde gebreken onder rechtsoverweging 11.1., 16.1., 20.1., 25.1. en 28.1. te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering of, voor zover nodig, met een nieuw besluit, na of tegelijkertijd met intrekking van het huidige bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister de gebreken kan herstellen op vier weken na plaatsing van deze tussenuitspraak in het digitale dossier.
30. Om het gebrek te herstellen, moet de minister voldoende kenbaar motiveren waarom eiser zijn identiteitsdocumenten uit Duitsland had kunnen laten opsturen, waarom de verklaringen over de wijze waarop hij met behulp van een reisagent Belarus heeft verlaten ongeloofwaardig zijn, waarom aan de verklaringen van eisers ouders geen waarde toekomt en waarom de sociaaleconomische omstandigheden niet relevant zijn voor de belangenafweging in het kader van het inreisverbod. Ook moet de minister deugdelijk motiveren waarom eisers verklaringen over zijn ontsnapping uit het ziekenhuis ongerijmd zijn. Daarbij moet de minister onderbouwen op basis waarvan hij concludeert dat de wijze van ontsnapping gezien eisers medische situatie ongerijmd was. Op de zitting heeft de minister verder een aantal tegenwerpingen laten vallen. In het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling dient de minister de nog overeind gebleven tegenwerpingen opnieuw in onderlinge samenhang te bezien. Tot slot is van belang dat de minister ingaat op de vraag in hoeverre het hersenletsel uit 2009 relevant is op het moment dat eiser in 2020 opnieuw hersenletsel heeft opgelopen als gevolg van het op hem toegepast geweld bij een demonstratie, en in welke mate dit doorwerkt in de beoordeling.
31. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om onnodige vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, aan de rechtbank mededelen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In
beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
32. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.26
33. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.
- draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid om binnen vier weken na plaatsing van deze tussenuitspraak in het digitale dossier de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- stelt eiser in de gelegenheid om binnen vier weken op de herstelpoging van de minister te reageren, indien de minister van de gelegenheid gebruik maakt om de gebreken tijdig te herstellen; en,
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr.
L.C.C. Bakx, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen
deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
1 Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en artikel 30b, eerste
2 Als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000.
3 Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
4 Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
5 Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
6 Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
7 Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
8 Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
9 Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000.
10 Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
11 Richtlijn 2011/95/EU.
12 Zoals volgt uit paragraaf C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire (de Vc) en artikel 29, eerste lid,
aanhef en onder b, van de Vw 2000.
13 Dit wetsartikel is geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. In deze uitspraak zal
verder gerefereerd worden aan artikel 31 vanPro de Vw 2000.
14 Zie het voornemen van 9 december 2025, pagina 4.
15 Zie het verslag van het nader gehoor van 5 december 2025, pagina 14.
16 Verslag van het nader gehoor, pagina 16.
17 Verslag van het nader gehoor, pagina 17.
18 Verslag van het nader gehoor, pagina 17.
19 Verslag van het nader gehoor, pagina 9.
20 Verslag van het nader gehoor, pagina 8.
21 Richtlijn 2008/115/EG.
22 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
23 Zie de artikelen 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (zorgvuldige voorbereiding) en
3:46 van de Awb (deugdelijke motivering).
24 Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.