ECLI:NL:RBDHA:2026:14489
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van aanvraag faciliterend visum voor familielid EU-burger
Eiseres, een Marokkaanse vrouw gehuwd met een Nederlandse EU-burger, heeft een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum om Nederland binnen te komen. De minister wees deze aanvraag af, waarna eiseres bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank Den Haag.
De rechtbank beoordeelde of eiseres aanspraak kon maken op een faciliterend visum op grond van artikel 20 van Pro het VWEU en de Verblijfsrichtlijn. De rechtbank stelde vast dat referent, de Nederlandse echtgenoot, geen gebruik had gemaakt van zijn recht op vrij verkeer binnen de EU en zich niet in een andere lidstaat dan Nederland bevond. Hierdoor viel eiseres niet onder de beschermingsomvang van de Verblijfsrichtlijn.
Verder oordeelde de rechtbank dat eiseres niet voldeed aan de uitzonderlijke voorwaarden van het arrest K.A. voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro, omdat zij geen aantoonbare zodanige afhankelijkheidsverhouding met haar echtgenoot had. Ook het beroep op het arrest Commissie tegen Spanje faalde omdat de nationale wetgeving geen onnodige beperkingen oplegt.
De rechtbank zag geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen over het inreisrecht, aangezien dit pas ontstaat bij vaststelling van een afgeleid verblijfsrecht. Het beroep werd ongegrond verklaard, de afwijzing van het visum bleef in stand en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een faciliterend visum wordt ongegrond verklaard.