ECLI:NL:RVS:2024:1757
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing visumaanvraag kort verblijf door minister van Buitenlandse Zaken
De vreemdeling heeft bij de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf, welke op 6 oktober 2022 is afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat bij besluit van 28 juni 2023 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 28 maart 2024 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en geconcludeerd dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
De Afdeling ziet geen noodzaak tot nadere motivering omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank wordt bevestigd.