ECLI:NL:RBDHA:2026:14505
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en onvoldoende onderbouwing
Eiser, een Algerijnse nationaliteit, diende op 2 oktober 2025 een asielaanvraag in die door de minister op 29 december 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De afwijzing was gebaseerd op twijfels over de geloofwaardigheid van zijn identiteit, het ontbreken van voldoende documenten, inconsistenties in zijn verklaringen over de locatie van documenten en het gebruik van een alias in Frankrijk. Daarnaast werd het verzoek om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen afgewezen.
De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 19 mei 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De rechtbank concludeerde dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister niet in strijd was met het Unierecht en dat het referentiekader van eiser voldoende was betrokken bij de beoordeling. De minister had de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond afgewezen en het inreisverbod op juiste gronden opgelegd.
Eiser voerde aan dat de geloofwaardigheidsbeoordeling onjuist was toegepast, dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en dat het gebruik van een alias niet zwaar mocht wegen. De rechtbank verwierp deze bezwaren en oordeelde dat de minister voldoende gemotiveerd had waarom de aanvraag was afgewezen en het inreisverbod was opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter M.B. de Boer en griffier L.C.C. Bakx op 27 mei 2026.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag af en bevestigt het opgelegde inreisverbod.