ECLI:NL:RBDHA:2026:1454

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
24.4193
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8 EVRMArt. 15 KwalificatierichtlijnArt. 29 Vw 2000Art. 30b Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekking nareisvergunning wegens onjuiste gegevens, rechtsgevolgen in stand

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende vreemdeling, kreeg een afgeleide verblijfsvergunning asiel na nareisprocedure. De minister trok deze vergunning met terugwerkende kracht in wegens het verstrekken van onjuiste gegevens over zijn burgerlijke staat en geloofwaardigheidsproblemen rond zijn herkomst en dienstweigering.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de intrekking baseerde op onjuiste of achtergehouden informatie over het huwelijk van eiser, maar dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is omtrent het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië vanwege dienstweigering. De minister had onvoldoende rekening gehouden met het feit dat eiser illegaal uit Syrië is vertrokken en dat de dienstplicht na de val van het Assad-regime is afgeschaft.

De rechtbank vernietigt het besluit wegens gebrekkige motivering, maar laat de rechtsgevolgen in stand omdat de gewijzigde situatie in Syrië het risico op vervolging vermindert. Ook wijst de rechtbank het beroep op risico op willekeurig geweld af, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waar hij verbleef en geen hogere gradatie van geweld in geheel Syrië is vastgesteld.

Het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod wordt bevestigd, omdat geen sprake is van strijd met non-refoulement of gezinsleven. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de nareisvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege gewijzigde situatie in Syrië.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.41930

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Sahin),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , de minister
(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de intrekking van de aan hem verleende afgeleide verblijfsvergunning asiel, de afwijzing van zijn zelfstandige asielaanvraag en het aan hem opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit moet worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand blijven. De minister mocht de afgeleide verblijfsvergunning asiel intrekken omdat eiser juiste gegevens heeft achtergehouden over zijn burgerlijke staat. Ook heeft de minister de gestelde herkomst van eiser en de gestelde negatieve aandacht van de (vorige) Syrische autoriteiten wegens het weigeren van de dienstplicht ongeloofwaardig mogen achten. De rechtbank vernietigt het besluit omdat de minister daarin beter had moeten motiveren waarom eiser, gelet op zijn dienstweigering en illegale vertrek, onder het vorige regime bij terugkeer naar Syrië geen risico zou lopen op ernstige schade, maar de rechtsgevolgen hiervan kunnen in verband met de val van dat regime in stand blijven. Het betoog dat eiser in verband met willekeurig geweld bij terugkeer risico loopt op ernstige schade slaagt niet. Ook heeft de minister eiser terecht een terugkeerbesluit (zonder vertrektermijn) opgelegd en een inreisverbod uitgevaardigd.
1.2.
De rechtbank zal hierna eerst het procesverloop uiteenzetten (2). Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de intrekking van de aan eiser verleende afgeleide verblijfsvergunning asiel (3-5). Daarna bespreekt de rechtbank de gronden tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag (6-12) en zal de rechtbank achtereenvolgens ingaan op de geloofwaardigheid van het asielrelaas (8 en 9), de zwaarwegendheidsbeoordeling (11) en het risico op willekeurig geweld (12). Onder 13 gaat de rechtbank in op het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (14).

Procesverloop

2. Met het besluit van 22 oktober 2024 heeft de minister de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, de (zelfstandige) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.
2.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.2.
De minister heeft op 2 september 2025 en 17 november 2025 verweerschriften ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Sulaiman (3234). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Intrekking van de verblijfsvergunning
Feiten
3. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en komt uit Syrië. Hij heeft op 2 juli 2020 een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend voor verblijf bij zijn vader in verband met nareis. Deze mvv is uiteindelijk op 24 februari 2023 afgegeven. Na aankomst in Nederland is eiser op 25 februari 2023, als gezinslid van zijn vader, in het bezit gesteld van een afgeleide verblijfsvergunning asiel.
Het standpunt van de minister
4. De minister heeft de aan eiser verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot de afgiftedatum ingetrokken omdat gebleken is dat eiser in de nareisprocedure onjuiste gegevens over zijn burgerlijke staat heeft verstrekt waardoor ten onrechte is aangenomen dat eiser nog feitelijk tot het gezin van zijn vader behoorde. Tijdens de nareisprocedure heeft eiser volgens de minister verklaard dat hij ongehuwd was, waarna een mvv is afgegeven, terwijl eiser in Nederland heeft verklaard dat hij begin 2022 is getrouwd.
Het standpunt van eiser
5. Eiser betoogt dat hij geen onjuiste gegevens heeft verstrekt. Eiser was ongehuwd toen hij naar Nederland kwam. Pas maanden later is eiser aan zijn huidige echtgenote gekoppeld en zijn plannen ontstaan om te gaan trouwen. Eiser heeft zijn vrouw echter nooit gezien en heeft in Syrië een advocaat gemachtigd, die voor hem naar de rechtbank is geweest voor zijn huwelijk. Deze advocaat zou ook als datum van het traditionele huwelijk 15 januari 2022 doorgeven aan de rechtbank. Daarom heeft eiser verklaard dat hij begin 2022 is getrouwd. Eiser is pas op 3 oktober 2023 officieel getrouwd. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de overgelegde verklaring van de Syrische advocaat, het door hem overgelegde familie-uittreksel van zijn echtgenote en een stuk met felicitaties van eisers vader in oktober 2023 aan zijn echtgenote. Tot slot betoogt eiser dat het intrekken van zijn verblijfsvergunning zeer vergaande en onmenselijke gevolgen heeft, waarbij hij heeft gewezen op het belang van zijn familieleven en privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het oordeel van de rechtbank
5.1.
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser in de mvv-procedure onjuiste verklaringen heeft afgelegd over zijn burgerlijke staat. In de nareisprocedure heeft eiser op 20 januari 2023 desgevraagd verklaard niet getrouwd te zijn, nooit getrouwd te zijn geweest en ook nog nooit een relatie te zijn aangegaan [2] , terwijl hij in het aanmeldgehoor van 21 juni 2023 heeft verklaard dat hij begin 2022 is gehuwd en dat het een traditioneel en wettig huwelijk is. [3] Dat eiser op 15 januari 2022 een traditioneel huwelijk heeft gesloten blijkt ook uit de in de mvv-procedure voor zijn echtgenote op 3 mei 2024 overgelegde huwelijksakte. Dat het huwelijk volgens die akte op 3 oktober 2023 is goedgekeurd door de rechtbank neemt niet weg dat al op 15 januari 2022 een geldig huwelijk is gesloten. Zoals volgt uit het Thematisch Ambtsbericht documenten in Syrië van het ministerie van Buitenlandse Zaken van oktober 2017 [4] geldt voor de Syrische autoriteiten de datum die de shariarechtbank heeft bepaald als officiële huwelijksdatum en neemt de rechtbank hiertoe meestal de datum over van het religieuze (traditionele) huwelijk. [5] De (hiervoor onder 5 weergegeven) toelichting van eiser over de datum van 15 januari 2022 hoefde de minister niet te volgen. Eiser heeft op het aanmeldgehoor immers niet op deze wijze over zijn huwelijk verklaard en heeft dit ook niet in daarop volgende correcties en aanvullingen naar voren gebracht. Ook de door eiser overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel. De verklaring van een Syrische advocaat is geen origineel, maar een kopie, en is bovendien niet voorzien van een deugdelijke, beëdigde vertaling. Het familie-uittreksel – waarmee eiser wenst aan te tonen dat zijn huidige echtgenote op 1 november 2022 nog stond geregistreerd als ‘vrijgezel’ – neemt niet weg dat uit de huwelijksakte evident blijkt dat het huwelijk op 15 januari 2022 is gesloten en dat het, zoals de minister stelt, niet ondenkbaar is dat het huwelijk ten tijde van het opvragen van het familie-uittreksel nog niet op de in het ambtsbericht beschreven wijze [6] was geregistreerd. Dat de vader van eiser de echtgenote van eiser in oktober 2023 heeft gefeliciteerd met het huwelijk is geen ondersteuning van de stelling dat in januari 2022 geen huwelijk heeft plaatsgevonden. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel juiste informatie heeft achtergehouden.
5.2.
Ten aanzien van eisers betoog dat de intrekking in strijd is met het evenredigheidsbeginsel is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser door het achterhouden van juiste gegevens over zijn burgerlijke staat zelf de situatie heeft doen ontstaan waarin hem op onjuiste gronden een afhankelijk verblijfsrecht is verleend. Verder volgt de rechtbank de minister in zijn standpunt dat eiser een eigen gezin heeft in Syrië, zodat hij zeer sterke banden heeft met Syrië. Ook is niet gesteld of gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn ouders en broers in Nederland, op grond waarvan de intrekking van de verblijfsvergunning onevenredig zou zijn.
5.3.
Het voorgaande betekent dat de minister de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) met terugwerkende kracht tot 25 februari 2023 mocht intrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Afwijzing van de asielaanvraag
Het asielrelaas
6. Eiser heeft verklaard dat hij uit Idlib in Syrië komt. Hij heeft diergeneeskunde gestudeerd: van 2013 tot 2015 in Idlib en van 2015 tot 2019 in Hama. Tot 2019 heeft eiser zeven keer vanwege zijn studie uitstel gekregen voor militaire dienst. Sindsdien kan eiser geen uitstel meer krijgen. Hij vreest dat hij hierdoor opgeroepen zal worden voor militaire dienst.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
a. identiteit, nationaliteit en herkomst;
b. de dienstplicht van eiser, in verband waarmee problemen van de zijde van de autoriteiten zijn te verwachten.
7.1.
De minister heeft de identiteit en nationaliteit van eiser geloofwaardig geacht, maar zijn herkomst niet. De dienstplichtige leeftijd van eiser acht de minister geloofwaardig, maar de minister heeft niet geloofwaardig geacht dat eiser wordt gezocht door de Syrische autoriteiten en dat hij de door hem gestelde problemen heeft te verwachten. De elementen die de minister wel geloofwaardig acht zijn volgens de minister onvoldoende voor de conclusie dat bij eiser sprake is van vluchtelingschap of dat aannemelijk is dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade.
Ongeloofwaardigheid van de herkomst
8. Eiser betoogt dat zijn verklaringen over zijn herkomst uit Idlib ten onrechte niet geloofwaardig zijn geacht. Eiser heeft wisselend verklaard over het jaar van vertrek, omdat hij door de oorlogssituatie jaartallen door elkaar heeft gehaald. Verder heeft de minister ten onrechte bij zijn beoordeling betrokken dat hij informatie over zijn burgerlijke staat heeft achtergehouden en daartoe verwijst hij naar wat hij eerder heeft aangevoerd tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning. Ook heeft de minister ten onrechte tegengeworpen dat hij zich niet meteen in Ter Apel zou hebben gemeld.
8.1.
Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over zijn herkomst uit Idlib niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. Daarom heeft de minister aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 beoordeeld of die verklaringen alsnog geloofwaardig zijn. Dat is volgens de minister niet het geval. Eiser voldoet volgens de minister niet aan artikel 31, zesde lid, onder c, d en e, van de Vw 2000.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onder verwijzing naar artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000 niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn herkomst geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft niet betwist dat hij tijdens de asielprocedure en de eerdere nareisprocedure wisselende verklaringen heeft afgelegd over het jaar van vertrek uit Syrië. De door eiser aangevoerde verklaring dat hij als gevolg van de oorlog jaartallen door elkaar heeft gehaald, heeft de minister niet hoeven aanmerken als een verschoonbare omstandigheid. De rechtbank volgt de minister immers in zijn standpunt dat van iemand die juist stelt te vrezen in zijn land van herkomst en om die reden het land heeft verlaten, mag worden verwacht dat hij consistent en correct kan verklaren over het moment van vertrek. Daarbij had eiser dit moment kunnen relateren aan de duur van zijn verblijf in Turkije of de duur van het verblijf na het aflopen van het uitstel voor militaire dienst. Ook heeft eiser nagelaten om zijn verklaringen over het moment van vertrek met correcties en aanvullingen te herstellen. De minister heeft eiser in dit verband verder mogen aanrekenen dat eisers verklaringen dat hij in de zomer van 2020 of 2021 Syrië heeft verlaten niet overeenkomen met de door hem overgelegde kopie van een huwelijksakte en een huwelijksverklaring, waaruit blijkt dat eiser op 15 januari 2022 in het huwelijk is getreden in Maysaloun, Aleppo. Voor zover eiser stelt dat de datum op deze huwelijksakte niet juist is, verwijst de rechtbank naar de overwegingen hiervoor onder 5.1.
8.3
De minister heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn verblijf in zijn herkomstgebied. Eiser heeft in beroep niet betwist dat hij wisselend heeft verklaard over zijn verblijfplaats tijdens zijn studie en de studieperiode. De rechtbank stelt ook vast dat eiser in beroep geen gronden heeft aangevoerd tegen het standpunt van de minister dat hij ongerijmd heeft verklaard over de reistijd en afstand tussen zijn woning in Idlib en de Universiteit van Hama, dat het door eiser overgelegde uitstel voor de militaire dienst is afgegeven door het rekruteringsbureau in Hama, terwijl eiser stelt afkomstig te zijn uit en te wonen in Idlib, en dat eiser in weerwil van zijn verklaring dat hij sinds het verlopen van dit uitstel uitsluitend buiten het controlegebied van de autoriteiten heeft verbleven, op 15 januari 2022 in het huwelijk is getreden in Maysaloun, Aleppo, een gebied dat toen onder controle van de autoriteiten stond.
8.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister terecht heeft gesteld dat eiser niet heeft voldaan aan artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000, omdat hij de zelfstandige asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Eiser heeft deze aanvraag pas op 6 juni 2023 ingediend, terwijl zijn nareisprocedure al op 24 april 2023 was afgerond. Het betoog van eiser in beroep dat de minister ten onrechte zou hebben tegengeworpen dat hij zich niet direct in Ter Apel heeft gemeld, slaagt niet, nu de minister uitsluitend heeft gewezen op het feit dat eiser zich niet kort na afronding van de nareisprocedure heeft gemeld voor een zelfstandige asielaanvraag.
8.5.
De minister mocht naar het oordeel van de rechtbank ook tegenwerpen dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd in de zin van artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw 2000, omdat eiser wisselend heeft verklaard over zijn burgerlijke staat. De rechtbank verwijst hiertoe naar haar eerdere overwegingen onder 5.1.
8.6.
Op grond van het voorgaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de in artikel 31, zesde lid, onder c, d en e, van de Vw 2000 genoemde voorwaarden. Daarom hoefde de minister de gestelde herkomst uit Idlib niet geloofwaardig te achten. De beroepsgrond slaagt niet.
Problemen na het laatste uitstel van de dienstplicht
9. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat niet geloofwaardig is dat hij sinds het aflopen van het laatste uitstel van de dienstplicht te vrezen zou hebben gehad in het gebied dat onder controle stond van de Syrische overheid. Na het aflopen van het in 2019 verkregen uitstel is eiser namelijk niet meer in een gebied geweest dat onder de controle van de overheid staat. Het document van een huisarts, waarop de minister heeft gewezen, is tijdens eisers verblijf in Turkije na telefonisch contact opgesteld.
9.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet met documenten heeft onderbouwd dat hij wordt gezocht door de Syrische autoriteiten en dat hij de door hem gestelde problemen heeft te verwachten. Daarom heeft de minister aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 beoordeeld of die verklaringen alsnog geloofwaardig zijn. Dat is volgens de minister niet het geval. Eiser voldoet volgens de minister namelijk niet aan de in artikel 31, zesde lid, onder c, d en e, van de Vw 2000 genoemde voorwaarden.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eiser wisselend en ongerijmd heeft verklaard over zijn verblijf in overheidsgebied na afloop van het laatste uitstel voor militaire dienst in 2019. Eiser heeft verklaard dat hij sindsdien definitief naar Idlib is teruggekeerd, niet meer in door de overheid gecontroleerd gebied is geweest en gestopt is met studeren. Dit staat haaks op het door eiser in 2021 overgelegde document, waaruit blijkt dat hij op 1 augustus 2021 in Hama is gezien door een orthopedisch chirurg. De verklaring van eiser dat dit document op afstand is opgesteld, toen eiser al in Turkije verbleef, heeft de minister niet hoeven volgen. Dit document vermeldt namelijk dat eiser op die dag door deze arts is onderzocht en dat daarbij is geconstateerd dat eiser onder meer lijdt aan ‘plexus humeral paralysis’ aan de rechteronderarm, wat impliceert dat eiser daarbij fysiek aanwezig was. Dat dit zou gaan om een onderzoek op afstand, zoals eiser stelt, blijkt niet uit dit document, nog daargelaten dat de rechtbank niet vermag in te zien hoe een dergelijk lichamelijk onderzoek op afstand zou kunnen plaatsvinden. Daarbij komt dat de minister ook heeft gewezen op stukken uit de nareisprocedure, waaruit blijkt dat eiser nog in februari 2021 in Hama studeerde, waartegen eiser niets heeft aangevoerd.
9.3
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder d en e, van de Vw 2000. De rechtbank verwijst naar haar eerdere overwegingen onder 5.1, 8.4 en 8.5.
9.4.
De minister heeft zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de in artikel 31, zesde lid, onder c, d en e, van de Vw 2000 genoemde voorwaarden. Daarom hoefde de minister eiser niet te volgen in zijn verklaring dat hij vanwege het ontlopen van de dienstplicht werd gezocht door de Syrische autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.
Tussenconclusie
10. Gelet op het voorgaande heeft de minister de verklaringen van eiser over zijn herkomst en de aandacht van de Syrische autoriteiten wegens het ontlopen van de dienstplicht op goede gronden ongeloofwaardig geacht. Deze onderdelen van het asielrelaas zijn daarom bij de beoordeling van eisers vrees voor vervolging of ernstige schade in Syrië terecht buiten beschouwing gelaten.
Zwaarwegendheid
-
Risico wegens dienstweigering
11. Eiser betoogt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij ten tijde van het bestreden besluit, toen Assad nog aan de macht was, bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico liep op ernstige schade wegens het ontduiken van de militaire dienst. De minister heeft volgens hem onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser door zijn illegale vertrek uit Syrië bij terugkeer als verrader zou worden gezien. Hij heeft in dit verband gewezen op (geciteerde passages uit) een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 15 oktober 2024.
11.1.
De minister acht geloofwaardig dat eiser de dienstplichtige leeftijd heeft. Hij heeft beoordeeld of de omstandigheid dat eiser weigert de dienstplicht te vervullen, en mogelijk bestraft zal worden, aanleiding geeft om hem als verdragsvluchteling aan te merken.
11.2.
Het algemene uitgangspunt van het landgebonden asielbeleid over Syrië ten tijde van het bestreden besluit [7] was dat een vreemdeling uit Syrië bij of na terugkeer vanuit het buitenland in beginsel een reëel risico loopt op ernstige schade. Dit uitgangspunt gold niet wanneer de vreemdeling een actieve aanhanger was van het regime, of wanneer uit de individuele feiten en omstandigheden was gebleken dat de vreemdeling bij of na terugkeer naar Syrië geen risico (meer) liep op ernstige schade. In gevallen waarin één van de uitzonderingen van toepassing was, lag het op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij alsnog een risico op ernstige schade te vrezen heeft, in plaats van aan de IND om aan te tonen dat dit niét het geval zou zijn in dat individuele geval. [8]
11.3.
De minister heeft op de zitting toegelicht dat deze tweede uitzondering op eiser van toepassing is geacht. Deze uitzondering is van toepassing, omdat niet geloofwaardig is dat eiser sinds het verlopen van uitstel van militaire dienst niet meer in overheidsgebied is geweest. Verder is volgens de minister niet inzichtelijk hoe lang eiser nog in Syrië heeft gewoond sinds het verlopen van zijn uitstel. Ook heeft eiser niet verklaard over andere (te verwachten) problemen met de autoriteiten en heeft hij verder geen problemen met de autoriteiten ondervonden. Tot slot heeft de minister bij deze beoordeling betrokken dat hij toegang heeft gehad tot medische zorg en scholing in overheidsgebied en de Syrische autoriteiten documenten hebben afgegeven, zoals een identiteitskaart, rijbewijs en een huwelijksakte.
11.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister bij dit standpunt onvoldoende heeft betrokken dat eiser als dienstweigeraar illegaal uit Syrië is vertrokken. Uit het ambtsbericht over Syrië van augustus 2023, dat ten grondslag ligt aan de door eiser ingeroepen brief van 15 oktober 2024 en dat het geldende ambtsbericht was ten tijde van het bestreden besluit, blijkt dat, gezien de willekeur van arrestaties en andere misstanden, er geen eenduidig beeld is te schetsen wanneer de (voormalige) Syrische autoriteiten iemand als opposant kenmerkten en welke represailles volgden op bepaalde oppositionele activiteiten. Alleen al het feit dat iemand Syrië tijdens het conflict had verlaten, kon volgens dat ambtsbericht voor de autoriteiten aanleiding zijn om deze persoon als opposant te beschouwen. Ook staat in het ambtsbericht vermeld dat zelfs personen met een veiligheidsverklaring of individuele verzoening alsnog in de problemen konden komen met de Syrische autoriteiten bij of na terugkeer naar Syrië. Uit deze informatie heeft de minister in zijn brief van 25 april 2024 [9] afgeleid dat een risico op mensenrechtenschendingen zich al voordoet bij de feitelijke terugkeer in het land. Hij heeft vervolgens een uitzondering gemaakt voor vreemdelingen waarvan is gebleken, bijvoorbeeld in verband met eerdere terugkeer naar Syrië, dat deze bij terugkeer naar Syrië geen risico (meer) lopen op ernstige schade, maar eiser behoort niet tot deze categorie.
11.5.
Dit betekent dat de minister het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Dat besluit vernietigt de rechtbank daarom. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen op dit punt in stand te laten. De minister stelt in het verweerschrift van 2 september 2025 namelijk terecht dat uit openbare bronnen volgt dat de dienstplicht na de val van het regime Assad (in ieder geval) in het controlegebied van de overgangsregering is afgeschaft [10] en dat er geen aanwijzingen zijn dat Syrische vreemdelingen die de militaire dienstplicht hebben ontdoken en illegaal zijn vertrokken bij terugkeer risico lopen als dienstplichtontduiker of deserteur te worden gezien. [11] De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn betoog ter zitting dat de dienstplicht niet is afgeschaft en dat eiser daarom ná de val van het regime Assad nog steeds het risico zou lopen om als deserteur te worden gezien.
-
Risico op willekeurig geweld
12. Eiser betoogt dat de minister zijn standpunt dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister heeft volgens eiser de humanitaire situatie in Syrië na de val van het regime van Assad onvoldoende betrokken in de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld. Ter onderbouwing van deze humanitaire situatie heeft hij gewezen op een brief van VluchtelingenWerk Nederland, met bijlagen, van 10 oktober 2025.
12.1.
In het bestreden besluit, dat dus dateert van voor de val van het Assad-regime, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat in Syrië niet een dusdanige situatie bestaat dat het enkele feit dat eiser uit Syrië komt al maakt dat sprake zou zijn van een reëel risico op ernstige schade. In het verweerschrift van 2 september 2025 heeft de minister, naar aanleiding van de val van het regime van Assad op 8 december 2024, een aanvullend standpunt ingenomen. Hij heeft, onder verwijzing naar het ambtsbericht van mei 2025, erop gewezen dat in Syrië een redelijke verbetering is te zien ten aanzien van de algemene situatie. Dit betekent dat voor geheel Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen. Ook is volgens de minister van belang dat, gelet op de verklaringen van eiser, niet is te achterhalen wanneer en waar hij heeft verbleven in Syrië, wat van belang is bij de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, in het nationale recht neergelegd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000. In het verweerschrift van 17 november 2025 heeft de minister het verweerschrift van 2 september 2025 aangevuld en is hij ingegaan op de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 30 juli 2025. [12] Kort samengevat stelt de minister dat deze uitspraak hem geen aanleiding geeft een hogere gradatie van willekeurig geweld aan te nemen. Hierbij is volgens de minister van belang dat de humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend zijn in de globale beoordeling van het willekeurig geweld: de humanitaire situatie in Syrië is op dit moment zeer slecht. Dat is volgens de minister echter niet of slechts in (zeer) beperkte mate te wijten aan een thans lopend gewapend conflict, maar meer het gevolg van de jarenlange oorlog, economische sancties en nalatigheid van de (voormalige) regering Assad.
12.2.
Eiser heeft de onder 12 genoemde brief en bijlagen van in totaal 46 pagina’s één dag voor de zitting, zonder nadere toelichting, in het digitaal dossier geplaatst. Op zitting is daarom met partijen besproken of hierdoor de goede procesorde in het geding is. De minister heeft de rechtbank op de zitting verzocht om deze brief met bijlagen, wegens strijd met de goede procesorde, buiten het geding te houden.
12.3.
De rechtbank is van oordeel, evenals de minister, dat eiser de brief laat in het geding heeft gebracht. Dit kan hem worden aangerekend omdat het, gelet op het bericht van de rechtbank van 14 augustus 2025, voor eiser duidelijk had moeten zijn dat een tijdige reactie op het standpunt van de minister over de gewijzigde situatie in Syrië gewenst was. Toch ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding om het document buiten de beoordeling te houden. Daartoe overweegt de rechtbank dat de brief een reactie is op het ambtsbericht van mei 2025 en de daaraan ten grondslag liggende bronnen, en dat eiser met deze brief geen nieuwe informatie heeft ingebracht die niet al bekend was bij de minister. Verder is op zitting gebleken dat tussen de minister en eiser geen verschil van mening bestaat over de ernst van de humanitaire situatie in Syrië. De rechtbank zal de brief van VluchtelingenWerk Nederland daarom niet buiten beschouwing laten.
12.4.
Uit het arrest CF en DN [13] volgt dat de minister bij de beoordeling of een betrokkene bij terugkeer een risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld de daadwerkelijke bestemming in het geval van terugzending naar het betrokken land of gebied moet betrekken. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij de beoordeling of zich in een land dan wel, in voorkomend geval, het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voordoet, moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- en verblijfplaats heeft gehad. [14]
12.5.
De minister acht de Syrische nationaliteit van eiser geloofwaardig. De minister stelt echter terecht, zoals hiervoor onder 8 is overwogen, dat niet is te achterhalen waar en wanneer eiser in Syrië heeft verbleven. Daarom heeft de minister het risico voor eiser op willekeurig geweld niet kunnen relateren aan een specifiek gebied in Syrië, maar heeft hij beoordeeld of eiser in enig gebied in Syrië het risico zou lopen het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De rechtbank is van oordeel dat deze benadering juist is: de onduidelijkheid over de herkomst van eiser komt in dit verband voor rekening en risico van eiser. Deze benadering brengt ook met zich dat eiser het tegendeel aannemelijk dient te maken. Eiser heeft echter niet aangevoerd dat zich in geheel Syrië, gelet op de veiligheidssituatie, een hogere gradatie van willekeurig geweld, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, voordoet. [15] Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden in gebieden in Syrië waar zich een lagere gradatie van willekeurig geweld voordoet een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Ook heeft eiser niet betwist dat de humanitaire situatie, waarvan ook de minister erkent dat deze slecht is in Syrië, niet doorslaggevend of bepalend is in de globale beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Daarom ziet de rechtbank in het betoog van eiser en de brief van VluchtelingenWerk geen aanleiding voor het oordeel dat eiser bij terugkeer naar Syrië het risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
13. Eiser betoogt dat het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod zeer vergaande en onmenselijke gevolgen heeft. Hij kan in verband met de veiligheidssituatie niet terugkeren naar Syrië. Hij zal hierdoor in de illegaliteit terechtkomen en zal in onzekerheid moeten leven zonder financiële hulp of middelen. Ook heeft hij geen informatie achtergehouden over zijn burgerlijke staat en heeft hij gewezen op het belang om familie- en privéleven in Nederland uit te oefenen.
13.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestond om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit of een langere vertrektermijn op te leggen. Daarbij betrekt de rechtbank dat niet is gebleken dat het beginsel van non-refoulement, de eerbiediging van eisers gezins- of familieleven of zijn gezondheidstoestand zich tegen de oplegging van een terugkeerbesluit verzet. Verder mocht de minister op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c en e, van de Vw 2000 eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond afwijzen omdat hij, zoals hiervoor is overwogen, onjuiste informatie heeft verstrekt of juiste informatie heeft achtergehouden over zijn burgerlijke staat. Dat brengt mee dat de minister mocht bepalen dat eiser op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Gelet hierop is op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 terecht een inreisverbod tegen eiser uitgevaardigd. In de door eiser genoemde omstandigheden hoefde de minister geen aanleiding te zien om af te zien van het inreisverbod of de duur daarvan te verkorten.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb gebrekkig is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit daarom. De rechtbank laat uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld.
14.1.
Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de minister daarom in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 22 oktober 2024;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, voorzitter, en mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. R, Barzilay, leden, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 9 januari 2026
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Rapport gehoor nareis van 20 januari 2023, p. 3.
3.Rapport aanmeldgehoor, p. 9.
4.Pagina 19.
5.Zie ook ABRvS 29 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3515.
6.Pagina 25.
7.Paragraaf C7/33.4.1.3 van de Vc 2000, zoals gewijzigd met WBV 2024/12.
8.IND Informatiebericht 2024/13.
9.TK 2023-2024, 19 637, nr. 3245.
10.Ambtsbericht over Syrië van januari 2025, p. 33 en het rapport van EUAA, Country Guidance Syria van juni 2025, p. 16. Zie ook het artikel ‘Syria Leader Says ‘Thousands’ Joining New Army’, Asharq Al-Awsat, 11 februari 2015.
11.Het rapport Country of Origin Information: Syria: Country Focus juli 2025, p. 80.
13.10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472, punt 43.
14.ABRvS 31 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2891.
15.Vergelijk ABRvS 31 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2891, onder 2.3.2.