ECLI:NL:RVS:2018:3515
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtsgeldigheid huwelijk bij aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis
De staatssecretaris wees de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af, omdat het huwelijk met de referent volgens hem niet rechtsgeldig was op het moment van diens binnenkomst in Nederland. De vreemdeling stelde dat zij op 15 mei 2015 was gehuwd, met een bekrachtiging van een shariarechtbank als bewijs. De rechtbank oordeelde dat het huwelijk geldig was volgens Nederlands internationaal privaatrecht en vernietigde het besluit.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en voerde aan dat de rechtbank artikel 10:31 BW Pro onjuist had uitgelegd en dat het vermoeden van rechtsgeldigheid van het huwelijk op grond van de bekrachtiging door de shariarechtbank niet doorslaggevend is. Tevens wees hij op tegenstrijdigheden in verklaringen van de referent en onduidelijkheden in het bekrachtigingsdocument.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het vermoeden van rechtsgeldigheid geldt, maar dat bij twijfel nader onderzoek gerechtvaardigd is. Gezien de tegenstrijdigheden en onduidelijkheden was het standpunt van de staatssecretaris dat het huwelijk niet aannemelijk is gemaakt terecht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf gehandhaafd.