ECLI:NL:RBDHA:2026:14554
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende risico op bloedwraak en algemene veiligheidssituatie Syrië
Eiser heeft op 13 januari 2025 een verblijfsvergunning asiel aangevraagd, welke door de minister op 20 januari 2026 is afgewezen. Eiser vreesde terugkeer naar Syrië vanwege bloedwraak en de algemene onveilige situatie. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 behandeld.
De minister achtte de asielmotieven geloofwaardig maar vond dat eiser geen vluchteling was in de zin van het Vluchtelingenverdrag en geen reëel risico liep op ernstige schade. De minister stelde dat het geweld in Syrië relatief laag was en dat eiser geen individuele risicoverhogende omstandigheden had aangevoerd. Ook bloedwraak werd niet aannemelijk geacht omdat er sinds 2013/2014 geen negatieve gevolgen waren voor eisers familie en eiser zelf nooit contact had gehad met de andere familie.
Eiser voerde aan dat de situatie in Syrië kwalificeert als een 15c-situatie volgens de Kwalificatierichtlijn en verwees naar recente landeninformatie en nieuwsberichten. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd dat de situatie in Syrië niet zodanig ernstig was dat er sprake was van een reëel risico op ernstige schade. Humanitaire omstandigheden werden slechts relevant geacht indien deze voortkomen uit handelen van strijdende partijen, wat hier niet het geval was.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht het terugkeerbesluit had genomen en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank handhaaft de afwijzing van de asielaanvraag omdat geen reëel risico op ernstige schade is vastgesteld.