ECLI:NL:RBDHA:2026:1456

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
NL25.12104 T
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over frauduleuze documenten in asielprocedure Zuid-Afrikaanse nationaliteit

Eiser diende op 24 januari 2024 een asielaanvraag in met een Zuid-Afrikaans paspoort en Zimbabwaanse documenten. De minister wees de aanvraag af en legde een terugkeerbesluit op, uitgaande van de Zuid-Afrikaanse nationaliteit van eiser.

Eiser betwistte de nationaliteit en stelde dat het Zuid-Afrikaanse paspoort frauduleus was verkregen, onder meer omdat de vingerafdruk op het paspoort niet overeenkomt met die van hem. De minister heeft dit niet onderzocht en volgde zonder nadere motivering de persoonsgegevens op het paspoort.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende aandacht heeft besteed aan de afwijkende vingerafdruk en het ontbreken van onderzoek naar de biometrische gegevens. Hierdoor is het besluit niet zorgvuldig en gemotiveerd genomen, wat strijdig is met de Awb.

De rechtbank heropent het onderzoek en geeft de minister vier weken de tijd om het gebrek te herstellen, hetzij door aanvullende motivering, hetzij door een nieuw besluit. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit wegens onvoldoende onderzoek naar frauduleuze documenten en geeft de minister vier weken om het gebrek te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12104 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. [1] Dit besluit omvat tevens een terugkeerbesluit.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek in de zaak gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 24 januari 2024 een asielaanvraag ingediend. Op het aanvraagformulier heeft hij verklaard van Zuid-Afrikaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag 1] 1988. Eiser was bij binnenkomst in Nederland in het bezit van een echt bevonden Zuid-Afrikaans paspoort met personalia zoals op het aanvraagformulier vermeld. Tegelijkertijd heeft eiser bij binnenkomst in Nederland verklaard [naam] te heten, geboren op [geboortedag 2] 1977 en uitsluitend in het bezit te zijn van de Zimbabwaanse nationaliteit. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een eveneens echt bevonden Zimbabwaanse identiteitskaart en geboorteakte overgelegd. Verder heeft hij verklaard dat hij vanaf 1999 tot aan zijn vertrek op 22 januari 2024 in Zuid-Afrika heeft verbleven en dat hij daar problemen heeft ervaren vanwege zijn homoseksualiteit.
2. In het voornemen en het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de gegevens uit het overgelegde paspoort worden gevolgd, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit paspoort niet aan hem toebehoort. Verweerder gaat daarom uit van de Zuid-Afrikaanse nationaliteit van eiser. Verweerder volgt eisers verklaringen over de ondervonden problemen in Zuid-Afrika. Die problemen leiden er, gelet op de situatie voor homoseksuelen in Zuid-Afrika, niet toe dat aan eiser asielrechtelijke bescherming moet worden geboden. Eiser moet binnen vier weken terugkeren naar Zuid-Afrika. .
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten onrechte is beoordeeld of hij terug kan keren naar Zuid-Afrika. Hij meent dat hij met de overgelegde Zimbabwaanse documenten en de bijlagen bij zijn zienswijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet de Zuid-Afrikaanse nationaliteit bezit. In het bestreden besluit stelt verweerder voor het eerst nieuwe eisen aan het daarvoor te leveren bewijs. Eiser heeft aan de door verweerder gestelde bewijslast voldaan door de Zuid-Afrikaanse ambassade schriftelijk te benaderen en de ambassade ook in persoon te bezoeken. Bovendien heeft eiser er in zijn zienswijze op gewezen dat de vingerafdruk op het Zuid-Afrikaanse paspoort niet overeenkomt met zijn eigen vingerafdruk. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten om dit te onderzoeken. Evenmin heeft verweerder gemotiveerd waarom hij de persoonsgegevens op het Zuid-Afrikaanse paspoort volgt, terwijl ook de Zimbabwaanse documenten echt zijn bevonden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Gelet op de ondertekende asielaanvraag en het overgelegde, echt bevonden, Zuid-Afrikaanse paspoort mag verweerder er in beginsel van uit gaan dat eiser de Zuid-Afrikaanse nationaliteit bezit. De mogelijkheid dat eiser daarnaast de Zimbabwaanse nationaliteit bezit doet daar op zich niet aan af. Voor zover eiser stelt dat hij het bij binnenkomst in Nederland getoonde Zuid-Afrikaanse paspoort frauduleus heeft verkregen, is het aan hem om dat aannemelijk te maken.
5. Met de overweging dat eiser er niet in is geslaagd om de nodige verklaringen van de Zuid-Afrikaanse autoriteiten over te leggen, heeft verweerder gereageerd op eisers zienswijze dat hij vanwege bewijsnood niet in staat was om dergelijke verklaringen te procederen. Anders dan eiser suggereert in het aanvullend beroepschrift, volgt daaruit niet een beperking van de wijze waarop eiser aan zijn bewijslast zou kunnen voldoen. Overigens zijn de autoriteiten van het land van afgifte bij uitstek aangewezen om uitsluitsel te geven over een frauduleuze wijze van verkrijgen.
6. Eiser heeft echter terecht gewezen op zijn opmerking in de zienswijze dat zijn vingerafdruk afwijkt van die zoals aanwezig op het Zuid-Afrikaanse paspoort. Indien juist, is dat een duidelijke aanwijzing dat het paspoort niet aan eiser toebehoort en dus frauduleus verkregen moet zijn. Verweerder heeft hier ten onrechte geen aandacht aan besteed in het bestreden besluit. Voor zover verweerder meent dat het vooralsnog niet aan hem, maar (volledig) aan eiser is om dit nader te onderzoeken, volgt de rechtbank dat niet. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij het paspoort niet terug heeft ontvangen. Verweerder heeft het tegendeel niet kunnen bevestigen. Dat betekent dat er van uit moet worden gegaan dat verweerder eenvoudig kan vaststellen of het Zuid-Afrikaanse paspoort inderdaad biometrische gegevens bevat en of een eventueel aanwezige vingerafdruk feitelijk kan worden vergeleken met de van eiser afgenomen vingerafdruk bij zijn registratie als asielzoeker. Indien dat zo is en beide vingerafdrukken niet met elkaar overeenkomen, valt niet in te zien welke inspanningen nog meer van eiser verlangd zouden moeten worden om de frauduleuze verkrijging van het paspoort te onderbouwen. De suggestie van verweerder ter zitting dat het paspoort waarschijnlijk een niet door verweerder uit te lezen chip bevat, is niet gebaseerd op daadwerkelijk onderzoek hiernaar. Door het hiervoor geschetste onderzoek en de bijbehorende motivering hiervan in het bestreden besluit achterwege te laten, is het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en gemotiveerd en komt het voor vernietiging in aanmerking.
7. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstel kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuw besluit, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
8. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen twee weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
9. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. De overige beroepsgronden van eiser zullen niet besproken worden en ook over de proceskosten neemt de rechtbank nu nog geen beslissing.

Beslissing

De rechtbank:
- heropent het onderzoek;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze uitspraak;
- draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan op 27 januari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).