Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14600

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
NL26.26377
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000

Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, is op 11 mei 2026 in bewaring gesteld door verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is genomen vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Eiser betwist de rechtmatigheid van deze maatregel en stelt dat hij onrechtmatig zonder titel is vastgezet en dat er sprake is van een verkapte vreemdelingenbewaring.

De rechtbank stelt vast dat de gronden voor de maatregel niet zijn bestreden en dat deze gronden, zowel zwaar als licht, voldoende zijn om het risico van onderduiken aan te nemen. De rechtbank oordeelt dat geen minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon zijn. Medische klachten en gezinsomstandigheden van eiser maken dit niet anders, mede omdat eiser geen bewijs heeft geleverd van zijn medische toestand of familiebanden.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak (zaaknummer NL26.24854) waarin reeds is geoordeeld over de vermeende verkapte vreemdelingenrechtelijke aanhouding en constateert dat geen nieuwe feiten zijn aangevoerd die een herbeoordeling rechtvaardigen. De onrechtmatigheid van een eerdere maatregel kan in beginsel niet doorwerken in de huidige maatregel, tenzij sprake is van ernstige schendingen of opeenstapeling van gebreken, wat hier niet het geval is.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig is toegepast en voortgeduurd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26377

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S. Jankie),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 13 mei 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 20 mei 2026 gereageerd. De rechtbank heeft op 22 mei 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De gemachtigde van eiser voert – kort samengevat- aan dat eiser vreemdelingenrechtelijk staande gehouden en vervolgens kennelijk in strafdetentie is geplaatst omdat hij nog vier maanden gevangenisstraf zou moeten uitzitten. Daarbij blijkt uit het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) dat eiser helemaal geen gevangenisstraf hoefde uit te zitten dus er is helemaal geen sprake van een strafrechtelijk traject. Eiser voert aan dat hij van 16 april 2026 tot 1mei 2026 zonder titel of recht heeft vastgezeten. Er is dan ook sprake van een verkapte vreemdelingenbewaring en dit maakt dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig. Verder had verweerder kunnen volstaan met een lichter middel. Eiser kan zelfstandig Nederland verlaten, daarnaast heeft hij last van epilepsie, lichamelijke en psychische klachten en heeft hij een vrouw en kind in [geboortedatum]. Eiser doet een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM [1] . De vorige bewaringsmaatregel is onrechtmatig en dit dient door te werken in onderhavige maatregel. Tot slot voert eiser aan dat hij op 4 mei 2026 naar een gehoor zou gaan en toen al zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. Verweerder heeft dit echter pas op 8 mei 2026 geregistreerd en de maatregel is uiteindelijk pas op 11 mei 2026 omgezet.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. Allereerst wordt vastgesteld dat de gronden waarop de maatregel berust niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichten gronden en de daarbij gegeven motivering in onderlinge samenhang bezien reeds voldoende om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zal onderduiken en deze gronden kunnen de maatregel dan ook dragen.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Voor zover eiser meent dat hij vanwege medische problemen detentieongeschikt is, overweegt de rechtbank dat het op zijn weg ligt om dit aan te tonen. Het enkele feit dat eiser een vrouw en kind in [geboortedatum] heeft, maakt het voorgaande niet anders. Temeer nu eiser heeft verklaard dat hij zijn kind niet heeft kunnen erkennen vanwege een gebrek aan de benodigde documenten en dat hij enkel voor het geloof is getrouwd. Ook is eiser niet in het bezit van identificerende documenten en/of bewijs van verwantschap met zijn gestelde familie- of gezinsleden die dit kunnen onderbouwen. Eiser heeft in het vertrekgesprek van 8 mei 2026 verklaard dat hij terug wil naar Algerije en dat zijn vrouw en kind hem kunnen volgen.
7. De rechtbank stelt vast dat zij op 20 mei 2026 (in de zaak NL26.24854) al uitspraak heeft gedaan op de beroepsgrond betreffende de ophouding en de vraag of er sprake is van een verkapte vreemdelingenrechtelijke aanhouding. Nu eiser niet heeft aangetoond dat er sinds de laatste uitspraak reden zijn om deze grond opnieuw te toetsen, verwijst de rechtbank naar de uitspraak met zaaknummer NL26.24854 voor bespreking ervan.
8. De rechtbank stelt voorop dat zij in het onderhavige beroep uitsluitend de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring van 11 mei 2026 zal beoordelen. Een te late grondslagwijziging is een onrechtmatigheid die kleeft aan de eerdere maatregel van bewaring. Uit vaste jurisprudentie volgt dat een onrechtmatigheid in de eerdere inbewaringstelling in beginsel niet kan doorwerken in de daaropvolgende inbewaringstelling én dat de onrechtmatigheid van de eerdere maatregel de daaropvolgende maatregel in beginsel dan ook niet onrechtmatig maakt. [2] Alleen in het geval van een ernstige schending van een fundamenteel recht of van een opeenstapeling van ernstige gebreken voorafgaand aan de nieuwe maatregel kan van deze hoofdregel worden afgeweken. [3] Eiser heeft tegen de vorige maatregel een rechtsmiddel aangewend en in dit verband de door hem veronderstelde gebreken kunnen aanvoeren. De rechtbank heeft bij uitspraak van 20 mei 2026 (in zaaknummer NL26.24854) erkend dat de maatregel te laat was omgezet en daarvoor een schadevergoeding aangeboden. Naast het door de rechtbank erkende gebrek, zijn geen andere gebreken aan het licht gebracht, dus van een opeenstapeling van gebreken is dan ook geen sprake. Gelet op het voorgaande maakt het gebrek aan de voorgaande maatregel niet dat de onderhavige maatregel bij aanvang al onrechtmatig was. Deze beroepsgrond slaagt niet.
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is [4] , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de toepassing en het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
N. Mekenkamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1206
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2024ECLI:NL:RVS:2024:1206
4.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.