ECLI:NL:RBDHA:2026:14623

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
26/1602
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking verzoek voorlopige voorziening wegens toezegging college

Verzoekster diende een verzoek om een voorlopige voorziening in bij de rechtbank Den Haag met als doel de voortzetting van haar opvang. Tijdens de zitting op 29 april 2026 vroeg de voorzieningenrechter aan het college of zij bereid waren de opvang tijdelijk te verlengen tot na de beslissing op bezwaar.

Het college stemde in met een verlenging van de opvang tot twee weken na de beslissing op bezwaar, waarna verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening introk, onder de voorwaarde dat het college in de proceskosten werd veroordeeld. Het college stelde dat er geen inhoudelijke tegemoetkoming was, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat de toezegging van de tijdelijke opvangverlenging wel degelijk een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a Awb vormde.

De rechtbank veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster, begroot op €1.868,-, en gelastte terugbetaling van het griffierecht. Hiermee werd tegemoetgekomen aan het verzoek van verzoekster zonder inhoudelijke beslissing op het bezwaar.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster na intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening wegens toezegging tot opvangverlenging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1602
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 29 april 2026 inzake het verzoek om een proceskostenveroordeling na intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening (artikel 8:84, eerste lid, in verbinding met artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht) in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. Y. Spijker),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigden: mr. M. Mos en en M.I.E. Rhuggenaath).
Zitting heeft: mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Verschenen zijn: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het college.
1.
Het verzoek is aan de orde gesteld op de zitting van de voorzieningenrechter van
29 april 2026. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter aan het college gevraagd of het bereid is om de opvang van verzoekster nog voor een korte periode te verlengen, gelet op de relatief korte tijd tussen de zittingsdatum en de binnenkort te verwachten beslissing op bezwaar. Na een korte schorsing is namens het college medegedeeld dat het bereid is om de opvang van verzoekster te verlengen tot en met twee weken na de beslissing op bezwaar, die naar verwachting binnen enkele weken wordt genomen. De gemachtigde van verzoekster heeft zich hiermee akkoord verklaard en zij bleek bereid om het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken, mits het college in de proceskosten wordt veroordeeld.
2. Namens het college is (samengevat) gesteld dat er geen sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat niet op inhoudelijke gronden aan het bezwaar wordt tegemoetgekomen. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
3. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in geval van een voorlopige voorziening.
4. Bij overeenkomstige toepassing van artikel 8:75a van de Awb in een voorlopige voorzieningenprocedure dient de vraag of en in hoeverre het bestuursorgaan aan het verzoek is tegemoetgekomen in de eerste plaats te worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel hangende de bodemprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan een voorlopige maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. [1]
5. Verzoekster trekt haar verzoek om een voorlopige voorziening in vanwege de toezegging van het college dat haar opvang wordt verlengd tot en met twee weken na de nog te nemen beslissing op bezwaar. Het verzoek van verzoekster was erop gericht om de opvang voort te zetten. Daarom is het college aan het verzoek van verzoekster tegemoetgekomen. Dit betekent niet dat aan de (inhoudelijke) gronden van het verzoekschrift of het bezwaarschrift is tegemoetgekomen. De tegemoetkoming heeft enkel betrekking op de verlenging van de opvang voor de relatief korte periode dat de bezwaarprocedure nog voortduurt.
6. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft moeten maken. De proceskosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.868,-. (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt). Met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder a, zal de griffier het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- terugstorten.

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.868,-.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1099.