ECLI:NL:RBDHA:2026:14628
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser, een Eritrese asielzoeker, diende op 25 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag op 26 maart 2026 niet in behandeling, omdat Zwitserland verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Zwitserland had eerder een asielaanvraag van eiser afgewezen en was akkoord gegaan met terugname.
Eiser voerde aan dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen niet nakomt, met name vanwege het ontbreken van kosteloze rechtsbijstand en het risico op uitzetting naar Eritrea, wat strijdig zou zijn met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Zwitserland systeemfouten vertoont die overdracht onrechtvaardigen.
De rechtbank stelde dat eiser niet heeft geprobeerd om in Zwitserland te klagen over het gebrek aan rechtsbijstand en dat de minister geen garanties hoefde te vragen aan Zwitserland. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.