In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, wordt het beroep van eiser behandeld, die stelt dat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig heeft beslist op zijn asielaanvraag van 30 mei 2024. De rechtbank heeft besloten dat een zitting niet nodig is, omdat partijen daar niet om hebben gevraagd. De minister is verplicht om binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag te beslissen, maar heeft een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië, dat op 14 december 2024 in werking trad en gold tot 13 juni 2025. Dit moratorium heeft invloed op de beslistermijn van de asielaanvraag.
De rechtbank legt uit dat de beslistermijn kan worden verlengd tot maximaal 21 maanden in situaties van onzekerheid over de situatie in het land van herkomst. De rechtbank interpreteert de term 'verlenging' in het BVM als 'opschorting', wat betekent dat de beslistermijn gedurende de geldigheid van het BVM wordt opgeschort. Eiser heeft zijn aanvraag ingediend op 30 mei 2024 en de minister heeft op 23 augustus 2024 bevestigd dat de aanvraag in behandeling is genomen. Nederland werd verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag op 31 juli 2024, voordat het BVM van kracht werd.
De rechtbank concludeert dat de opschorting van de beslistermijn door het BVM, in combinatie met de reguliere beslistermijn, betekent dat de beslistermijn eindigde op 31 juli 2025. Eiser heeft de minister op 30 juni 2025 in gebreke gesteld, maar de beslistermijn was toen nog niet verstreken. Hierdoor is het beroep niet ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.