ECLI:NL:RBDHA:2026:14725
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen grensdetentie en afwijzing schadevergoeding
Eiseres, met de Colombiaanse nationaliteit, werd op 22 april 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in het kader van de grensprocedure. Zij stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de maatregel op 6 mei 2026 op. De rechtbank behandelde het beroep op 7 mei 2026, waarbij eiseres niet aanwezig was.
Eiseres voerde aan dat haar asielaanvraag niet in de grensprocedure had mogen worden behandeld vanwege de samenhang met de asielprocedure van haar verloofde die in Nederland verbleef. De rechtbank oordeelde dat de minister een redelijke termijn moet krijgen om het verzoek te onderzoeken en dat de minister na het nader gehoor mocht besluiten dat de zaak zich niet langer leende voor de grensprocedure. De aanwezigheid van de verloofde was volgens de rechtbank geen reden om de maatregel onrechtmatig te achten.
Daarnaast stelde eiseres dat het voortduren van de maatregel onrechtmatig was vanwege haar medische problematiek en het onthouden van medische hulp. De rechtbank vond dat eiseres haar medische klachten onvoldoende had onderbouwd en dat het niet starten van een behandeling door de medische dienst niet automatisch onrechtmatigheid oplevert. Er was geen bewijs dat een directe behandeling noodzakelijk was of dat eiseres bezwaar had gemaakt tegen het medische besluit.
De rechtbank zag geen aanleiding om het opleggen of voortduren van de maatregel onrechtmatig te achten en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de grensdetentie is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.