ECLI:NL:RBDHA:2026:14739
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in afwachting van bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige
Verzoekers, bestaande uit een Turkse zelfstandige, zijn echtgenote en volwassen zoon, hebben een verblijfsvergunning aangevraagd voor zelfstandig ondernemerschap en verblijf. De minister wees deze aanvragen op 10 september 2024 af vanwege onvoldoende onderbouwing, met name een niet-conform ondernemingsplan. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die uitzetting zou verbieden totdat op het bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 26 mei 2026 en constateerde dat verzoeker herhaaldelijk aanvullende stukken had ingediend ter onderbouwing van het bedrijf, waaronder overeenkomsten, facturen, bankafschriften en belastingaangiften. De minister had deze stukken ontvangen maar nog geen inhoudelijke reactie gegeven, ook niet tijdens de zitting. De voorzieningenrechter achtte het bezwaar kansrijk en kon niet vooruitlopen op de uitkomst.
Bij de belangenafweging woog de rechter het langdurige verblijf van verzoekers en het ontbreken van concrete uitzettingspogingen door de minister zwaarder dan het belang van de minister bij uitzetting. Ook de trage behandeling van het bezwaar door de minister speelde mee. Daarom werd het verzoek toegewezen, met als gevolg dat verzoekers niet mogen worden uitgezet totdat op het bezwaar is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Verzoekers mogen niet worden uitgezet totdat de minister op het bezwaar tegen de afwijzing van hun verblijfsaanvraag heeft beslist.