Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14816

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27593
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 420bis SrArt. 11 OpiumwetArt. 8 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel bewaring vreemdeling na strafrechtelijke detentie en Dublin-overdracht

De minister van Asiel en Migratie legde op 15 mei 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Palestijnse nationaliteit, voerde onder meer aan dat de staandehouding onrechtmatig was en dat hij rechtmatig verblijf had in Duitsland en Nederland. Tevens stelde hij dat de maatregel onevenredig bezwarend was vanwege zijn medische situatie.

De rechtbank oordeelde dat de staandehouding van 13 mei 2026 niet ter toetsing lag vanwege een onderbreking in de keten door strafrechtelijke detentie. De rechtbank vond dat de minister voldoende gronden had om de maatregel te dragen, waaronder het concrete aanknopingspunt voor overdracht op grond van de Dublinverordening en het risico op onttrekking aan toezicht.

De rechtbank verwierp de stellingen van eiser over rechtmatig verblijf en het ontbreken van verwijderbaarheid. Ook vond zij dat de medische situatie onvoldoende was onderbouwd om de bewaring als onevenredig bezwarend te beschouwen. Het verzoek om toekenning van schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27593

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Kabli. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Palestijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994.
2. Eiser voert aan dat er onvoldoende duidelijkheid is over de staandehouding. Uit de stukken blijkt niet dat er een redelijk vermoeden van illegaal verblijf was. Eiser was onderweg naar Ter Apel en is ook staandegehouden op de rondweg van Emmen richting Ter Apel. Dat hij met een Duits kenteken reed was onvoldoende aanknoping om hem staande te houden. Verder staat in het proces-verbaal van ophouding van 14 mei 2026 dat hij rechtmatig in Nederland is en dat hij wordt vrijgelaten. Een paar dagen later zou hij volgens een ander proces-verbaal van ophouding, ondertekend op 16 mei 2026, zijn overgenomen vanuit strafdetentie. Van een strafdetentie blijkt echter niets uit het dossier. Dit maakt dat het voortraject onrechtmatig is geweest.
3. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Uit het proces-verbaal van staandehouding van 14 mei 2026 volgt dat eiser op 13 mei 2026 om 10.01 uur vreemdelingrechtelijk is staandegehouden bij een controle van mobiel toezicht vreemdelingen. Hoewel in dit proces-verbaal staat dat de vrijheidsbeneming op 14 mei 2026 omstreeks 10:30 uur is beëindigd, gaat de rechtbank ervan uit dat hier sprake is van een kennelijke verschrijving. Aangenomen mag worden dat dit 13 mei 2026 moet zijn. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt namelijk dat eiser op 13 mei 2026 om 10:25 uur strafrechtelijk is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 420bis, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11, lid 1, 2 en 4, van de Opiumwet. Uit het activiteitenoverzicht (stuk 0038) volgt dat eiser op 15 mei 2026 om 17:15 uur in vrijheid is gesteld. Dat komt overeen met het proces-verbaal van ophouding van 15 mei 2026, ondertekend op 16 mei 2026, waarin staat dat eiser op 15 mei 2026 om 17:15 uur is overgenomen en opgehouden, aansluitend op strafrechtelijke heenzending. Daarbij betrekt de rechtbank ook de M122 mededeling van 14 mei 2026 dat eiser na strafrechtelijke detentie zal worden overgedragen voor de procedure op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat er een onderbreking in de keten is geweest door een tussentijds strafrechtelijk traject en dat de staandehouding van 13 mei 2026 daarom niet ter toetsing voorligt. De rechtbank verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling. [1] De rechtbank is daarom niet bevoegd te oordelen over de staandehouding van 13 mei 2026.
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
De minister heeft ter zitting de grond onder 4e laten vallen.
5. Over de grond onder 3a stelt eiser dat hij in Duitsland een zogeheten ‘Duldung’ heeft waardoor hij tijdelijk rechtmatig verblijf heeft in Duitsland. Eiser had een Duits vreemdelingenpaspoort en dat document is geldig. De signalering in het SIS is hiermee niet in overeenstemming en dus onjuist. Eiser is niet verwijderbaar op dit moment. Ook blijkt uit het proces-verbaal van staandehouding van 14 mei 2026 dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Over de grond onder 3b stelt eiser dat hij nog niet de mogelijkheid heeft gehad om zich te melden, omdat hij onderweg naar Ter Apel is staandegehouden. In het kader van de grond onder 4a is hem verweten dat hij zich in België aan toezicht zou hebben onttrokken, maar dat slaat op toezicht in het kader van de Nederlandse Vreemdelingenwet en die is in België helemaal niet van toepassing. Over de grond onder 4c stelt eiser dat hij hier asiel heeft aangevraagd. Dat geeft recht op opvang in het AZC van het COA. Het probleem is dat pas na zes maanden inschrijving bij de BRP mogelijk is, dus hij kan daar niets aan doen. Bovendien is de minister er altijd van op de hoogte bij welk AZC een asielzoeker is ingeschreven, waardoor zijn verblijfplaats bekend is. Over de grond onder 4d voert eiser aan dat hij door COA voorzien zal worden in zijn levensonderhoud. Hij mag niet werken, want hij kan niet meteen een BSN nummer krijgen, dus kan hem dat niet worden aangerekend. Er zijn dan ook onvoldoende gronden om de maatregel te kunnen dragen. Er had een lichter middel zoals een meldplicht kunnen worden opgelegd.
6. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Over de grond onder 3a overweegt de rechtbank dat eiser heeft verklaard dat hij in Duitsland een verblijfsvergunning heeft gehad, maar dat deze is ingetrokken omdat hij onder invloed van drugs gereden had, zijn rijbewijs was ingenomen en hij opnieuw had gereden zonder rijbewijs. Hij heeft daarom een terugkeerbesluit ontvangen van Duitsland, maar ook een zogeheten ‘Duldung’ omdat hij de Palestijnse nationaliteit heeft en niet kan worden uitgezet. De rechtbank overweegt dat een ‘Duldung’ in Duitsland aan eiser niet het recht geeft om door te reizen naar Nederland. Dat eiser op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw inmiddels rechtmatig verblijf heeft verkregen door zijn asielaanvraag in Nederland, maakt evenmin dat hij op legale wijze Nederland is binnengekomen. De grond onder 3a is dan ook terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Over de grond onder 3b overweegt de rechtbank dat eiser heeft verklaard dat hij vanuit Duitsland, via Antwerpen (België) onderweg was naar Ter Apel. Hij heeft volgens zijn eigen verklaringen eerst in België asiel aangevraagd, is daar twee dagen gebleven en toen naar Nederland gereisd. Eiser heeft verklaard dat hij onderweg was naar Ter Apel om asiel aan te vragen, maar hij is ook aangehouden vanwege het bezit van illegale sigaretten en hasj. Ter zitting heeft eiser verklaard dat er ook 30 gram goud in beslag is genomen. Daargelaten dat de omstandigheden waaronder eiser is aangetroffen niet aannemelijk maken dat hij na de grensovergang rechtstreeks op weg was om asiel aan te vragen, heeft eiser niet aangetoond wanneer hij Nederland is binnengekomen en dat hij diezelfde dag is aangehouden. De grond is dan ook feitelijk juist en er kan ook daadwerkelijk een risico op onttrekking uit worden afgeleid. De zware gronden kunnen de maatregel dragen en wat eiser aanvoert over de lichte gronden, behoeft daarom geen bespreking meer. De minister heeft dan ook terecht afgezien van een lichter middel.
7. Eiser voert tot slot aan dat de maatregel onevenredig bezwarend voor hem is. Hij moet geopereerd worden in verband met twee geamputeerde vingers. De medische situatie maakt de bewaring voor hem extra zwaar.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is voor eiser. Er is medische zorg in het detentiecentrum aanwezig, ook is eventueel psychische zorg aanwezig. Niet is onderbouwd met medische documenten dat eiser op korte termijn een operatie nodig heeft of dat deze vanuit het detentiecentrum niet mogelijk is. Daarbij weegt mee dat er op 27 mei 2026 een voornemen tot overdracht aan Duitsland is uitgebracht, dat eiser tot 3 juni 2026 een zienswijze kan indienen en dat dan op korte termijn een beslissing op de asielaanvraag kan worden verwacht, waardoor voorstelbaar is dat de bewaring niet onredelijk lang zal duren.
9. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. [2]
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2723.
2.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, in de zaak C, B en X over ambtshalve toetsing.