Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
2.De verdere beoordeling
Kortom [naam], ik wil zoals besproken dolgraag met jou deze reeds opgebouwde Omorika handel in de lucht houden (…) ik denk dat we moeten proberen met elkaar de orders aan boord te houden’) evenals het vertrouwen dat partijen – ondanks de hogere vraagprijs van [eiseres] in 2023 – tot overeenstemming zullen komen (‘
Ik vertrouw erop dat er een oplossing zal komen waar we beiden mee kunnen leven, want dat is altijd nog gelukt’). In 2023 heeft Hortiflora vervolgens – net als in 2020 tot en met 2022 – Omorika bij [eiseres] afgenomen. Medio februari 2024 vroeg Hortiflora of hij met de Omorika voor 2024 met dezelfde prijs mocht rekenen als in 2023 en stelde zij voor de prijs gelijk te houden aan 2024 (‘
Mag ik met de Omorika’s voor 2024 met dezelfde prijs rekenen als in 2023? Ik denk gezien de situatie van afgelopen jaar dat we de prijs gelijk moeten houden in 2024’). In mei/juni 2024 werden de onderhandelingen door Hortiflora afgebroken, zonder dat daarvoor een goede reden (zoals onvoorziene omstandigheden) is genoemd of gebleken en op een moment waarop [eiseres] er, met name gezien de door Hortiflora afgenomen Omorika in de voorgaande jaren en voornoemde berichten van Hortiflora, gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat ook in 2024 weer een overeenkomst tot stand zou komen.
Succes, hopen dat we iets los krijgen’. Ook daaruit kan niet worden afgeleid dat [eiseres] haar schade verder had kunnen beperken of dat sprake is van eigen schuld door niet in te gaan op het aanbod van Hortiflora. Bovendien was dat aanbod van Hortiflora – dat inhield dat zij ‘haar best wilde doen’ – gedaan in het kader van een bespreking voorafgaand aan aansprakelijkstelling van Hortiflora, waarin een oplossing werd gezocht voor het feit dat Hortiflora in 2024 niet wilde afnemen.