Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14849

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
NL26.13596
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013VluchtelingenverdragArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en verantwoordelijkheid Spanje

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Spanje volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag.

De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting en verklaart het kennelijk ongegrond. Eiser voerde aan dat Spanje niet voldoet aan Europese normen voor asielprocedures en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is vanwege structurele tekortkomingen in Spanje, zoals beschreven in het AIDA-rapport 2024. Ook stelde hij dat hij in zijn land van herkomst vervolging vreest.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende concrete gronden heeft aangevoerd om af te wijken van het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat Spanje verantwoordelijk is en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is. De rechtbank wijst erop dat Spanje het claimakkoord heeft ondertekend en garanties heeft gegeven voor de behandeling van de asielaanvraag. Klachten over opvangvoorzieningen dienen bij Spaanse autoriteiten te worden ingediend.

Omdat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van indirect refoulement. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13596

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 9 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
1.2.
Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.13597. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [1] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland op 13 februari 2026 bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 18 februari 2026 aanvaard op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening.
Zienswijze
5. Eiser verwijst allereerst naar zijn zienswijze van 3 maart 2026 en wenst deze als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser merkt daarbij op dat hij van mening blijft dat Spanje niet aan de Europese normen voor asielprocedures voldoet. De rechtbank is van oordeel dat deze enkele verwijzing naar de zienswijze, zonder daarbij concreet te onderbouwen op welke onderdelen de reactie van de minister in het bestreden besluit tekortschiet, onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waarover de rechtbank moet beslissen. De rechtbank zal deze stelling daarom niet bespreken.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is op Spanje. Dit volgt volgens eiser uit het AIDA-rapport over Spanje, update 2024. Uit paragraaf 2.7. van het rapport blijkt volgens eiser dat de Spaanse autoriteiten voor Dublinterugkeerders niet altijd opvang kunnen garanderen, dat zij slachtoffer kunnen worden van mensenhandel en dat zij grote problemen kunnen ondervinden bij het opnieuw opstarten van hun asielprocedure. Er is in Spanje dan ook sprake van een slechte situatie en structurele tekortkomingen. Op grond van het arrest X [3] moet de minister onderzoek doen in Spanje en garanties vragen voor opvang van eiser na terugkeer naar Spanje. Eiser stelt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat er niet van mag worden uitgegaan dat Spanje het Vluchtelingenverdrag en/of artikel 3 van Pro het EVRM [4] eerbiedigt. Eiser herhaalt dat Spanje ten onrechte verantwoordelijk wordt gehouden voor de behandeling van zijn asielverzoek.
7. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank wijst op de uitspraak [5] van de Afdeling [6] van 25 november 2025 waarin dit oordeel is neergelegd. In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om in deze procedure tot een ander oordeel te komen omdat eiser geen enkele concrete grond aanvoert om af te wijken van het oordeel van de Afdeling. De rechtbank overweegt verder dat Spanje met het claimakkoord heeft gegarandeerd om eisers asielverzoek met inachtneming van de geldende verdragsverplichtingen in behandeling te nemen. Voor zover eiser daarin, of in de opvangvoorzieningen, tekortkomingen zou ervaren, ligt het op zijn weg om zich daarover bij de (hogere of rechterlijke) Spaanse autoriteiten te beklagen. Gesteld noch gebleken is dat dat niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De minister was dan ook niet gehouden om nader onderzoek te verrichten of concrete garanties te vragen aan de Spaanse autoriteiten. Spanje is terecht verantwoordelijk gehouden voor de behandeling van eisers asielverzoek en heeft die verantwoordelijkheid ook expliciet erkend.

Non-refoulement

8. Eiser betoogt ten slotte dat hij in zijn land van herkomst, [land] , gegronde redenen heeft om te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Omdat de minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje, komt de rechtbank niet meer toe aan een beoordeling van de beroepsgrond over indirect refoulement als gevolg van het verschil in beschermingsbeleid. De rechtbank wijst op uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 [7] en de Afdeling van 12 juni 2024 [8] . Daaruit volgt dat in een Dublinprocedure niet wordt beoordeeld of bij overdracht een reëel risico bestaat op indirect refoulement, tenzij niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van J.H. Folkers, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Hof van Justitie, 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195 (X t. Nederland).
4.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.ECLI:EU:C:2023:934.