De minister heeft op 27 maart 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die van Algerijnse nationaliteit is. Eiser stelde beroep in tegen de voortzetting van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de maatregel vanaf 10 april 2026, het moment van het sluiten van het vorige onderzoek.
Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend was in de voorbereidingen voor zijn uitzetting, met name omdat de laissez-passer-aanvraag al twee maanden geleden was ingediend zonder reactie van de Algerijnse autoriteiten. Ook stelde hij dat er onvoldoende vertrekgesprekken plaatsvonden en dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk zicht is op uitzetting, mede omdat de minister regelmatig contact heeft gezocht met de Algerijnse autoriteiten en eiser niet alle medewerkingsmogelijkheden heeft benut. Zo heeft eiser nagelaten zijn paspoort te verkrijgen, wat de uitzetting kan vertragen. De rechtbank vond dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat een lichter middel niet volstaat om de uitzetting te verzekeren.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.