ECLI:NL:RBDHA:2026:14901

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL26.17734
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 30, eerste lid Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) Nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens overdracht aan Kroatië op grond van Dublinverordening

Eiser, een Sierra Leoonse asielzoeker, diende op 9 november 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Kroatië heeft een verzoek om terugname van eiser aanvaard.

Eiser voerde aan dat de Kroatische asielprocedure systeemfouten kent, onderbouwd met passages uit het AIDA-rapport en een arrest van het EHRM, waardoor hij vreest voor schending van artikel 3 EVRM Pro bij overdracht. Hij stelde dat Kroatië geen effectieve rechtsbescherming biedt, met name bij versnelde procedures zonder automatische schorsende werking.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd om dit te weerleggen. De verwijzingen naar het AIDA-rapport tonen geen structurele tekortkomingen die een schending van artikel 3 EVRM Pro rechtvaardigen. Het EHRM-arrest betrof een andere situatie en is niet direct toepasbaar.

Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is de asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en de aanvraag wordt niet behandeld omdat Kroatië verantwoordelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17734

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië hiervoor verantwoordelijk is.
2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Beoordeling

3. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2006 en de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 9 november 2025 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft vastgesteld dat Kroatië op grond van de Dublinverordening [1] verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek van eiser om internationale bescherming. Kroatië heeft een verzoek om terugname van eiser aanvaard. Bij het bestreden besluit is daarom besloten om de aanvraag niet in behandeling te nemen en eiser over te dragen aan Kroatië. [2]
4. Eiser voert in beroep tegen het bestreden besluit het volgende aan. Hij meent dat sprake is van een systeemfout in de Kroatische asielprocedure. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst hij naar pagina’s 68 en 69 van het AIDA-rapport over Kroatië. Hieruit volgt volgens eiser dat de kans bestaat dat zijn asielverzoek in Kroatië in de versnelde procedure zal worden behandeld. Een beroep tegen een eventuele afwijzing heeft in dat geval niet automatisch schorsende werking. Uit de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Y.K. tegen Kroatië (38776/21) van 17 juli 2025 volgt bovendien dat er geen sprake is van een effectief rechtsmiddel tegen een dreigende schending van artikel 3 EVRM Pro [3] als het beroep tegen uitzetting geen schorsende werking heeft. Volgens eiser is dit het geval in Kroatië. Om deze reden vreest eiser dat hij bij terugkeer naar Kroatië riskeert verstoken te blijven van effectieve rechtsbescherming. Verweerder kan hem daarom op grond van artikel 3, tweede lid van de Dublinverordening niet overdragen aan Kroatië en moet eisers asielverzoek zelf in behandeling nemen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Niet in geschil is dat Kroatië op grond van de Dublinverordening in beginsel verantwoordelijk is voor het behandelen van het asielverzoek van eiser. Net als bij de overige lidstaten van de Europese Unie wordt in het geval van Kroatië op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel aangenomen dat dit land zijn Unierechtelijke en internationale verplichtingen naleeft. Dit volgt onder andere uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 november 2025. [4]
6. Het vermoeden op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië voor zover hij hiermee aannemelijk maakt dat hij na overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt om onderworpen te worden aan onmenselijke of vernederende behandelingen. [5] Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending op van artikel 3 van Pro het EVRM. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo [6] ).
7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. Met de verwijzing naar het AIDA-rapport over Kroatië heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een systeemfout in het Kroatische asielsysteem. Uit de aangehaalde passages uit dit rapport blijkt dat asielverzoeken in Kroatië onder bepaalde voorwaarden in de versnelde procedure kunnen worden behandeld. Over die procedure wordt in de aangehaalde passages vermeld dat er in dat geval geen sprake is van automatische schorsende werking, maar dat daar over het algemeen wel om verzocht kan worden. Bovendien vermeldt het rapport dat in het jaar 2024 in totaal veertien asielverzoekers in de versnelde procedure zijn behandeld. Op basis hiervan kan niet worden aangenomen dat asielaanvragen in Kroatië systematisch in de versnelde procedure worden afgedaan. Over Dublin-terugkeerders vermeldt het rapport overigens dat zij over het algemeen geen problemen ondervinden.
8. Ten aanzien van het door eiser genoemde arrest van het EHRM in de zaak Y.K. overweegt de rechtbank allereerst dat dit arrest geen betrekking heeft op een Dublinclaimant, maar op een persoon die illegaal Kroatië was binnengekomen en geen toegang had tot de asielprocedure. Eiser zal wel toegang hebben tot de asielprocedure omdat dat is gegarandeerd in het door de autoriteiten van Kroatië afgegeven claimakkoord. Eiser zal daarbij gereguleerd worden overgedragen aan Kroatië. Daarnaast is in het arrest vastgesteld dat de desbetreffende klager geen effectieve rechtsbescherming had om zijn uitzetting naar zijn land van herkomst aan te vechten. Dat in die individuele zaak geen sprake was van effectieve rechtsbescherming, duidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet op het bestaan van structurele tekortkomingen in de asielprocedure in Kroatië.
9. In het bestreden besluit is in relatie tot het voorgaande dan ook terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn overdracht aan Kroatië ertoe zal leiden dat hij terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. De aanvraag is terecht niet in behandeling genomen.
10. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 3 juni 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
2.Op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Zie in deze zin het arrest X van Hof van Justitie van de Europese Unie (het HvJEU), C-392/22, ECLI:EU:C:2024:195.
6.Arrest van het HvJEU van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.