ECLI:NL:RVS:2025:5635

Raad van State

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
BRS.24.000420
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
  • J.Th. Drop
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 17 DublinverordeningAlgemene wet bestuursrechtDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling verantwoordelijkheid Kroatië voor asielaanvraag ondanks gezondheidsrisico's betrokkene

Betrokkene, met de Liberiaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de minister de aanvraag opnieuw moest beoordelen vanwege de bijzondere ernst van de gezondheidstoestand van betrokkene, die volgens de rechtbank aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen zou ondervinden bij overdracht.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte aannam dat het suïciderisico niet medisch valide kon worden vastgesteld. De minister had volgens de Afdeling terecht betoogd dat betrokkene geen objectieve medische gegevens had overgelegd waaruit een reëel of hoog suïciderisico zou blijken.

Verder verwierp de Afdeling het betoog van betrokkene dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer van toepassing zou zijn op Kroatië vanwege zijn ervaringen aldaar. Ook vond de Afdeling dat het besluit voldoende was gemotiveerd en dat de minister de aanvraag niet inhoudelijk hoefde te behandelen.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.

Uitspraak

BRS.24.000420
Datum uitspraak: 21 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 11 november 2024 in zaak nr. NL24.6991 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 23 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij tussenuitspraak van 16 juli 2024 heeft de rechtbank betrokkene in de gelegenheid gesteld om nadere informatie over te leggen.
Op 15 augustus 2024 heeft betrokkene nadere stukken overgelegd, waarop de minister bij brief van 8 oktober 2024 heeft gereageerd.
Bij uitspraak van 11 november 2024 heeft de rechtbank het door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 februari 2024 vernietigd en bepaald dat de minister binnen vier weken een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraken heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. C.L.J.M. Wilhelmus, advocaat in Sittard, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.       Betrokkene heeft de Liberiaanse nationaliteit. De minister heeft zijn asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië hiervoor verantwoordelijk is. Het geschil gaat over de vraag of de gezondheidstoestand van betrokkene in de weg staat aan uitvoering van de overdracht aan Kroatië.
Het hoger beroep
2.       De minister klaagt in haar grieven dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat op grond van de verklaringen van betrokkene en de door hem overgelegde medische informatie aannemelijk is dat de enkele overdracht aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand zal hebben als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127.
2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1566, onder 3.1), volgt uit het arrest C.K. dat, wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. Zie in dat verband de uitspraken van de Afdeling van 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4303, onder 4, en van 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845, onder 2.2.
2.2.    Bij zijn zienswijze heeft betrokkene een uitdraai van zijn patiëntendossier en een afsprakenkaart van Gezondheidszorg Asielzoekers overgelegd. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank heeft betrokkene een actuele uitdraai van zijn patiëntendossier overgelegd, een aantal getuigenverklaringen van mensen uit zijn omgeving, en een e-mail van de POH-GGZ die hem behandelt. In de e-mail van de POH-GGZ staat het volgende vermeld:
"Dhr is onder behandeling bij de POHggz. Sinds aankomst in het AZC heb ik gesprekken met dhr. Uit de gesprekken kan worden vastgesteld dat dhr depressie klachten heeft ten gevolge van traumatische ervaringen in land van herkomst en tijdens zijn vlucht, PTSS. In eerste instantie met behulp van gesprekken dhr tot inzichten te laten komen. Gezien toename van klachten start Mirthazapine. Indien onvoldoende werking toch overwegen start trauma behandeling."
2.3.    Dat de gezondheidstoestand van betrokkene als ernstig kan worden aangemerkt en dat hij hiervoor wordt behandeld, is niet in geschil. De minister betoogt echter terecht dat betrokkene niet met objectieve gegevens heeft onderbouwd dat de overdracht aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen heeft voor zijn gezondheidstoestand. Met name heeft hij geen stukken overgelegd waaruit volgt dat het risico op suïcide door een behandelaar als reëel of hoog wordt ingeschat. De rechtbank heeft haar oordeel dat sprake is van een suïciderisico vooral gebaseerd op de eigen verklaringen van betrokkene tijdens de zitting en zijn verklaringen als weergegeven in het patiëntendossier. Het oordeel van de rechtbank dat een behandelaar vanuit medisch oogpunt geen valide uitspraken kan doen over het suïciderisico, zodat een dergelijke verklaring ook niet van betrokkene verlangd kan worden, volgt de Afdeling niet. Het is weliswaar juist dat nooit met zekerheid valt vast te stellen of iemand daadwerkelijk uitvoering zal geven aan suïcidale gedachten. Maar dat neemt niet weg dat het risico op suïcidaliteit wel door een behandelaar kan worden ingeschat. Dit vergt bij uitstek een medische beoordeling die noch de minister noch de rechtbank zelfstandig kan maken (zie de uitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, onder 7.1).
2.4.    Dit betekent dat de grieven slagen. Aan wat de minister verder heeft aangevoerd, onder meer over de tussenuitspraak, de rol en expertise van het Bureau Medische Advisering, en de verplichting om betrokkene op te nemen in de nationale asielprocedure, komt de Afdeling daarom niet toe.
Conclusie hoger beroep
3.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Aan de tussenuitspraak van de rechtbank komt daarom geen betekenis meer toe. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Beoordeling beroepsgronden
4.       Betrokkene heeft in beroep aangevoerd dat de minister zijn asielaanvraag inhoudelijk had moeten behandelen. Hij betoogt hierover dat de minister voor Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, en verwijst hierbij naar zijn eerdere ervaringen in Kroatië, met name de pushback en de detentie die hij heeft meegemaakt. Verder betoogt hij dat het besluit geen op zijn zaak toegespitste motivering bevat over de toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
4.1.    Dit betoog slaagt niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, onder 5.3 tot en met 6.1, mag de minister bij de toepassing van de Dublinverordening voor Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In die uitspraak is de Afdeling ook ingegaan op de vraag of Dublinclaimanten in Kroatië een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks. Over de eigen ervaringen van betrokkene in Kroatië heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze onvoldoende aanknopingspunten bieden om niet uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft er in dat verband terecht op gewezen dat betrokkene volgens zijn eigen verklaring maar vijf uur in Kroatië is geweest, en dat hij zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de daarvoor aangewezen instanties. Verder heeft de minister in deze ervaringen redelijkerwijs geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag van betrokkene met toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen.
5.       Betrokkene heeft in beroep aangevoerd dat het voornemen niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het voornemen bevat namelijk alleen maar standaardoverwegingen en geen dragende overwegingen.
5.1.    Dit betoog slaagt niet. Het voornemen vermeldt de dragende overwegingen om Kroatië verantwoordelijk te houden voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. Dat de minister in het voornemen niet expliciet is ingegaan op alle individuele omstandigheden van betrokkene, is op zichzelf geen grond voor het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig is (zie de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642, onder 4.3 tot en met 4.8).
Conclusie beroep
6.       Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 11 november 2024 in zaak nr. NL24.6991;
III.      verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025
846