ECLI:NL:RVS:2025:5635
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- J.Th. Drop
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verantwoordelijkheid Kroatië voor asielaanvraag ondanks gezondheidsrisico's betrokkene
Betrokkene, met de Liberiaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de minister de aanvraag opnieuw moest beoordelen vanwege de bijzondere ernst van de gezondheidstoestand van betrokkene, die volgens de rechtbank aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen zou ondervinden bij overdracht.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte aannam dat het suïciderisico niet medisch valide kon worden vastgesteld. De minister had volgens de Afdeling terecht betoogd dat betrokkene geen objectieve medische gegevens had overgelegd waaruit een reëel of hoog suïciderisico zou blijken.
Verder verwierp de Afdeling het betoog van betrokkene dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer van toepassing zou zijn op Kroatië vanwege zijn ervaringen aldaar. Ook vond de Afdeling dat het besluit voldoende was gemotiveerd en dat de minister de aanvraag niet inhoudelijk hoefde te behandelen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.