Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14937

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL26.7533
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening visum kort verblijf voor huwelijk neef wegens ontbreken zwaarwegend spoedeisend belang

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf om het huwelijk van zijn neef op 12 juni 2026 bij te wonen. De minister van Buitenlandse Zaken heeft dit visum geweigerd, waarna verzoeker bezwaar maakte en tevens een voorlopige voorziening vroeg om het visum alsnog te verkrijgen.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 2 juni 2026 en wees het af. Hoewel er sprake is van spoedeisend belang omdat de beslissing op bezwaar niet tijdig kan worden genomen, is niet gebleken van een zwaarwegend spoedeisend belang dat een verstrekkende voorlopige voorziening rechtvaardigt. De band tussen verzoeker en zijn neef is onvoldoende onderbouwd om de afwijzing te passeren.

De voorzieningenrechter overwoog dat het contact tussen verzoeker en neef niet intensief genoeg is en dat de situatie afwijkt van eerdere vergelijkbare zaken. Het verzoek om het visum te verstrekken kan in de bezwaarfase nader worden onderzocht. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot het verlenen van een visum voor kort verblijf is afgewezen wegens het ontbreken van een zwaarwegend spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 26/7533
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 1978, van Marokkaanse nationaliteit, verzoeker,
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Procesverloop

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een een visum voor kort verblijf om het huwelijk van zijn neef bij te wonen op 12 juni 2026.
Met het bestreden besluit van 20 april 2026 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat verweerder het door hem gevraagde visum dient te verlenen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
1. Niet in geschil is dat er sprake is van spoedeisend belang omdat de beslissing op het bezwaar niet te verwachten is vóór de bruiloft.
2. De gevraagde voorziening ziet erop dat verweerder opgedragen wordt om het visum aan eiser te verstrekken. Dat is een verstrekkende beslissing met onomkeerbare gevolgen welke alleen in zeer bijzondere omstandigheden gemaakt kan worden, waarbij de nadelige gevolgen van de afwijzing in verhouding tot het belang van verweerder bij de handhaving van het besluit zó onevenredig is, dat de beslissing op het bezwaar niet kan worden afgewacht. Om de voorziening te kunnen toewijzen moet sprake zijn van een zwaarwegend spoedeisend belang en moet ernstig worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken van een zwaarwegend spoedeisend belang. Verzoeker is de oom van de bruidegom. Hoewel de voorzieningenrechter het begrijpelijk acht dat verzoeker graag bij het huwelijk van zijn neef aanwezig wil zijn en dat zijn neef hem daarbij graag aanwezig heeft, is niet gebleken dat sprake is van een dusdanig bijzondere band dat specifiek de aanwezigheid van verzoeker van zo’n groot belang is. Het kan best zijn dat die bijzondere band tussen oom en neef bestaat, dat verzoeker als tweede vader voor zijn neef is en dat dit lastig is te onderbouwen, dat zou in de bezwaarfase nader kunnen worden onderbouwd en onderzocht. Op dit moment is echter nog onvoldoende gebleken van een dusdanig bijzondere band om deze verstrekkende voorziening toe te wijzen en het inhoudelijke onderzoek in de bezwaarfase te passeren. De voorzieningenrechter licht dit als volgt toe.
4. Verzoeker heeft toegelicht dat zijn neef elk jaar naar Marokko op vakantie gaat en dat ze dan veel tijd samen doorbrengen. Hij heeft dat onderbouwd met stempels in zijn paspoort. Dat de neef dan specifiek bij verzoeker op bezoek gaat is niet gebleken, vooral omdat zijn opa en oma en tantes ook in Marokko wonen. Het feit dat verzoeker en zijn neef een paar keer per maand spraakberichten met elkaar delen is ook onvoldoende. Uit de overgelegde schermafbeeldingen blijkt niet waar het contact over gaat en er is ook geen sprake van intensief contact.
5. De verwijzing van de gemachtigde van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 april 2026 [1] maakt niet dat de voorzieningenrechter tot een ander oordeel komt. De beoordeling van het zwaarwegend spoedeisend belang, en dus van de band tussen de visumaanvrager en het bruidspaar, moet in elke zaak afzonderlijk worden onderzocht. De situatie van verzoeker is anders dan in die andere zaak.
6. Omdat er geen zwaarwegend spoedeisend belang is, ziet de voorzieningenrechter geen reden om de verstrekkende voorlopige voorziening te treffen die is verzocht. De voorzieningenrechter hoeft daarom niet meer in te gaan op de inhoud van het bestreden besluit en het tegengeworpen vestigingsgevaar. Hoewel het resultaat in bezwaar nog anders uit kan pakken, is het voor nu onvoldoende om het verzoek toe te wijzen.
7. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek af te wijzen.
8. Omdat het verzoek is afgewezen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026 door mr. H.J. Schaberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Kingma, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zaaknummer AWB 26/5804.