Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14939

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL26.172 en NL26.173
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tweede asielaanvraag wegens ontbreken procesbelang

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit, heeft een tweede asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet-ontvankelijk werd verklaard. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek op 2 juni 2026, waarbij eiser niet aanwezig was, maar zijn gemachtigde wel.

De minister had de rechtbank op 16 april 2026 geïnformeerd dat eiser met onbekende bestemming Nederland had verlaten. De gemachtigde van eiser gaf aan geen contact meer met hem te hebben. Er waren geen aanwijzingen dat eiser nog belang had bij de procedure. Op grond van vaste jurisprudentie wordt aangenomen dat een vreemdeling die Nederland met onbekende bestemming verlaat geen prijs meer stelt op bescherming.

De rechtbank concludeerde dat het procesbelang van eiser was komen te vervallen en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom ook afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de tweede asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.172 (beroep)
NL26.173 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,,

geboren op [geboortedag] 2004, van Marokkaanse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).

Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 juni 2026 samen op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. Deze zaak gaat over de tweede asielaanvraag van eiser.
2. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt dan moet er volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling [1] in beginsel vanuit worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. De bestuursrechter zal echter voorzichtig moeten omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een zogenoemde MOB-melding. Zolang de gemachtigde contact heeft met de vreemdeling, mag er volgens de Afdeling van worden uitgegaan dat de vreemdeling belang heeft bij zijn procedure om een verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen.
3. Verweerder heeft de rechtbank op 16 april 2026 schriftelijk bericht dat eiser met on bekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft als reactie laten weten dat hij geen contact meer met hem heeft. Eiser is ook niet op de zitting verschenen. Er zijn ook verder geen aanknopingspunten om aan te nemen dat eiser desondanks nog prijs stelt op bescherming in Nederland.
4. Omdat het procesbelang is komen te ontvallen, is het beroep niet-ontvankelijk.
5. Omdat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State. Het hoger beroep moet worden ingediend binnen een week na ontvangst van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026 door
mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. B. Kingma, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.