ECLI:NL:RBDHA:2026:1495

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
NL24.38819
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na vrijwillig vertrek asielzoekster

Eiseres, een Cubaanse nationaliteit houdende vrouw, diende op 20 augustus 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 16 september 2024 af. Eiseres vertrok vervolgens vrijwillig naar Cuba met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), waarbij zij een vertrekverklaring ondertekende waarin zij instemde met beëindiging van verblijfsrechtelijke procedures.

De gemachtigde van eiseres meldde later dat zij geen contact meer had met haar cliënte. De rechtbank sloot het onderzoek en besloot de zaak niet op zitting te behandelen. De rechtbank beoordeelde of eiseres nog procesbelang had bij het beroep, waarbij werd vastgesteld dat de ondertekening van de vertrekverklaring en het vertrek naar Cuba betekenen dat zij geen belang meer heeft bij de procedure.

De rechtbank concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang en wees de vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Biever en griffier Y. Robio op 9 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na vrijwillig vertrek naar het land van herkomst.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38819

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. R.M. Boesjes),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag.
1.1.
Eiseres heeft op 20 augustus 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 september 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en heeft de rechtbank laten weten dat eiseres met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) naar haar land van herkomst is vertrokken.
1.3.
Bij brief van 4 augustus 2025 heeft de gemachtigde van eiseres aan de rechtbank geïnformeerd dat zij niet meer met haar cliënte in contact staat.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek op 27 oktober 2025 gesloten en met instemming van beide partijen bepaald dat de zaken niet op zitting worden behandeld. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft de Cubaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2004. Zij legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat ze – kort gezegd – problemen heeft met haar partner en de militaire dienstplicht van haar stiefzoon ontduikt. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. De rechtbank moet eerst beoordelen of eiseres nog procesbelang heeft bij het beroep. Verweerder heeft bij brief van 17 januari 2025 gemeld dat uit een document van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) volgt dat eiseres een vertrekverklaring heeft ondertekend, een uitreisstempel bij het verlaten van het Schengengrondgebied heeft gekregen en naar Cuba is gereisd. Uit deze verklaring blijkt eveneens dat eiseres met de ondertekening ermee instemt dat de verblijfsrechtelijke procedures worden beëindigd.
3.1.
De instemming dat de verblijfsrechtelijke procedures worden beëindigd betekent in beginsel dat eiseres geen belang meer heeft bij haar beroep. [3] Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij de vertrekverklaring niet vrijwillig of zonder kennis van de inhoud heeft ondertekend. In de vertrekverklaring staat dat de vreemdeling vrijwillig vertrekt en dat zij haar aanvraag voor vertrek met assistentie van de IOM niet op oneigenlijke gronden heeft ingediend. Zoals de hoogste bestuursrechter eerder heeft overwogen, laat de ondertekening van de vertrekverklaring geen ruimte voor het aanvaarden van een tegenovergesteld standpunt over deze verklaring na vertrek naar het land van herkomst. [4]
3.2.
Daar komt bij dat de gemachtigde van eiseres aan de rechtbank heeft laten weten dat zij niet meer met haar cliënte in contact staat.
4. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden, stelt de rechtbank vast dat eiseres geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit (procesbelang).

Conclusie en gevolgen

5. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij haar beroep. Daarmee is het beroep niet-ontvankelijk.
6. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zie onder meer uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3715
4.Uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2930.