ECLI:NL:RBDHA:2026:14951
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet ongegrond verklaard
Eiser, van Roemeense nationaliteit, maakte bezwaar tegen de maatregel van bewaring die op 22 mei 2026 door de minister van Asiel en Migratie werd opgelegd. Hij stelde onder meer dat de beschikking van 10 maart 2026 niet op de juiste wijze aan hem was uitgereikt, omdat deze in het Roemeens was terwijl hij die taal niet machtig is.
De rechtbank oordeelde dat in deze procedure alleen de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring ter beoordeling stond en niet de beschikking van 10 maart 2026. De rechtbank stelde vast dat verweerder voldoende zorgvuldigheid in acht had genomen om de maatregel begrijpelijk te maken, onder meer door een informatiebrief in het Hongaars en het gebruik van een tolk.
Verder werden de door verweerder aangevoerde zware en lichte gronden voor de bewaring niet betwist en als feitelijk juist en voldoende gemotiveerd beoordeeld. Het aanwezigheidsrecht van eiser werd niet geschonden, omdat de uitzetting op dezelfde dag als de zitting plaatsvond en het belang van een korte bewaring zwaarder woog dan het belang van persoonlijke aanwezigheid.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.