ECLI:NL:RBDHA:2026:14979

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL26.31155
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:83 AwbArt. 27 DublinverordeningArt. 29 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht aan Frankrijk in asielprocedure toegewezen

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de verlenging van de overdrachtstermijn door de minister van Asiel en Migratie, die haar overdracht aan Frankrijk betreft in het kader van de Dublinverordening. De voorzieningenrechter beoordeelt of verzoekster haar beroep in Nederland mag afwachten en daarmee niet overgedragen mag worden.

De rechtbank stelt vast dat het beroep ontvankelijk is en dat de verlenging van de overdrachtstermijn niet tijdig aan verzoekster is bekendgemaakt. Verzoekster stelt dat Frankrijk het terugnameverzoek heeft gehonoreerd en dat Nederland sinds 17 april 2026 verantwoordelijk is voor haar asielaanvraag. De minister betoogt dat de verlenging terecht is en dat de opschorting van de overdrachtstermijn correct is toegepast.

De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verzoekster en oordeelt dat de uiterste overdrachtsdatum niet is opgeschort en dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten. De voorlopige voorziening voorkomt dat verzoekster op 5 juni 2026 wordt overgedragen aan Frankrijk.

Uitkomst: Verzoekster mag haar beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn in Nederland afwachten en wordt niet overgedragen aan Frankrijk op 5 juni 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31155

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [v-nummer], verzoekster,

(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Zij vraagt de voorzieningenrechter te bepalen dat zij niet overgedragen mag worden aan Frankrijk tot dat op haar beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn is beslist.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Bij besluit van 28 januari 2026 heeft de minister de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van verzoekster niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
2.1.
Met de uitspraak van 2 maart 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het tegen dit besluit ingestelde beroep met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb [1] ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. [2]
2.2.
Op 15 maart 2026 heeft verzoekster hoger beroep ingediend bij de Afdeling [3] en verzocht om een voorlopige voorziening. De Afdeling heeft het hoger beroep op 17 maart 2026 als verzet doorgezonden naar de rechtbank. [4]
2.3.
Op 31 maart 2026 heeft de rechtbank een voorlopige voorziening getroffen inhoudende dat verzoekster de behandeling van het beroep (lees: het verzet) in Nederland mag afwachten. [5]
2.4.
Op 1 april 2026 heeft de minister aan de Franse autoriteiten laten weten dat de uiterste overdrachtsdatum is opgeschort met 6 maanden vanwege het bepaalde in artikel 27, derde lid van de Dublinverordening.
2.5.
Op 13 april 2026 heeft de rechtbank het verzet van eiseres ongegrond verklaard. [6] Dat betekent dat de uitspraak van 2 maart 2026 in stand is gebleven.
2.6.
Bij brief van 6 mei 2026 heeft de minister aan verzoekster willen bekendmaken dat de overdrachtstermijn met 18 maanden is verlengd omdat verzoekster met onbekende bestemming is vertrokken. Deze brief is retour gestuurd omdat de ontvanger niet langer gemachtigde van verzoekster was. De verlenging van de overdrachtstermijn is vervolgens niet op andere wijze aan verzoekster kenbaar gemaakt.
2.7.
Op 4 juni 2026 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen de verlenging van de overdrachtstermijn. [7]
2.8.
Voor verzoekster is op 5 juni 2026 een vlucht gepland naar Toulouse. Omdat onverwijlde spoed dat vereist doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder partijen uit te nodigen voor een zitting. [8]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Het beroep van verzoekster is gericht tegen het besluit van de minister om de overdrachtstermijn te verlengen met 18 maanden. [9]
3.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt of de belangen van verzoekster ertoe moeten leiden dat zij haar beroep in Nederland mag afwachten. Hiervoor bekijkt hij of het de verwachting is dat het beroep van verzoekster tegen de verlenging van de overdrachtstermijn, kans van slagen heeft. Hoe kleiner de kans van slagen van het bezwaar is, hoe minder ruimte er is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de rechtbank het oordeel van de voorzieningenrechter in deze procedure in een eventuele latere procedure niet hoeft te volgen.
3.2.
Niet in geschil is tussen partijen of het beroep ontvankelijk is. Omdat het besluit na retourzending niet op andere wijze aan verzoekster is bekendgemaakt, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen aanleiding voor dit oordeel.
Het standpunt van verzoekster
4. Volgens verzoekster heeft Frankrijk op 17 oktober 2026 kenbaar gemaakt het terugnameverzoek van verzoekster te honoren en de uiterste overdrachtsdatum is daarom op 17 april 2026 verstreken. De brief tot verlenging hiervan is te laat. Overdracht en daarmee de vlucht naar Frankrijk op 5 juni 2026 zijn niet meer mogelijk. Nederland is sinds 17 april 2024 verantwoordelijk voor de asielaanvraag van verzoekster.
4.1.
Daarnaast weerspreekt verzoekster dat zij niet klaarstond voor de eerdere vlucht van 6 mei 2026. Zij stond wel klaar met de koffers en kinderen, zij wachtte alleen op een COa medewerker om haar naar de afgesproken plek te brengen met de koffers. De afspraak was laat en zij kon dit met de kinderen niet alleen organiseren. De volgende morgen troffen twee COa-medewerkers haar in de kamer aan, waar zij nog steeds wachtte. In tegenstelling tot de brief, heeft zij het asielzoekerscentrum dus hoe dan ook niet verlaten. Zij is dus niet met onbekende bestemming vertrokken, niet op die dag en ook niet op een ander moment.
Het standpunt van de minister
5. Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat de uiterste overdrachtsdatum van 17 april 2026 niet verlengd kon worden, overweegt de minister dat uit het arrest E.N., S.S. en J.Y. [10] en uit Afdelingsjurisprudentie [11] volgt dat in hoger beroep (tweede aanleg) alleen een voorlopige voorziening kan worden getroffen die de overdrachtstermijn opschort in afwachting van de uitkomst van dat hoger beroep, als de uitvoering van het overdrachtsbesluit op grond van artikel 27, derde of vierde lid, van de Dublinverordening, al eerder was opgeschort in afwachting van de uitkomst van het beroep of bezwaar in eerste aanleg (punten 32 tot en met 34 van het arrest).
5.1.
De minister stelt zich naar aanleiding van bovenstaande op het standpunt dat de toegewezen voorlopige voorziening van 31 maart 2026 wél is getroffen in eerste aanleg. Immers, door een uitspraak in beroep, die buiten zitting is gedaan, aan te vechten in een verzetsprocedure wordt de onderliggende beroepsprocedure open gebroken waardoor er nog geen sprake is van een definitieve beslissing [12] op het beroep. Evenals bij een bezwaar feitelijke overdracht ligt een verzetsprocedure, zoals blijkt uit artikel 8:55 van Pro de Awb, met name uit lid 9 en 10, in het direct verlengde van de eerdere beroepsprocedure die feitelijk door het indienen van het verzet nog niet definitief is geworden. Dit geldt niet voor een hoger beroepsprocedure omdat bij een dergelijke procedure wel sprake is van een definitieve beslissing in beroep maar die definitieve beslissing in beroep aangevochten wordt en de hogere rechtsinstantie de zaak opnieuw bekijkt. Daardoor is, anders dan bij een verzetsprocedure, in een hoger beroepsprocedure wél sprake van tweede aanleg omdat de beslissing in de beroepsprocedure niet opengebroken wordt maar aangevochten wordt. Op grond van bovenstaande is dan ook terecht de uiterste overdrachtsdatum opgeschort op
1 april 2026 en vervolgens ook terecht verlengd op 6 mei 2026. De minister ziet in de uitspraak van deze rechtbank van 3 juni 2026, [13] geen aanleiding om een ander standpunt in te nemen.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
6. Uit artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening volgt dat de minister een vreemdeling overdraagt zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het terug- of overnameverzoek of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening, opschortende werking heeft. Uit artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening volgt dat een vreemdeling de gelegenheid heeft om binnen een redelijke termijn een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar. De lidstaten zorgen ervoor dat er een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikbaar is door de overdracht op te schorten totdat de beslissing over het eerste opschortingsverzoek wordt gegeven.
6.1.
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verzoekster. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2023 [14] volgt dat het voor de opschorting van de uitvoering van het overdrachtsbesluit in beroep noodzakelijk is dat de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening ook heeft toegewezen. Als de uitvoering van het overdrachtsbesluit in beroep niet is opgeschort, leidt toewijzing in hoger beroep van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet tot opschorting van de overdrachtstermijn. Toewijzing van het verzoek in hoger beroep betekent in dat geval uitsluitend dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
6.2.
Het instellen van het rechtsmiddel van verzet maakt dit niet anders. Het betreft hier niet een eerste opschortingsverzoek, hetgeen zoals hiervoor is aangehaald ingevolge artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening wel een vereiste is. Immers, deze rechtbank en zittingsplaats Den Haag heeft bij uitspraak van 2 maart 2026 geen opschortende werking toegekend aan het rechtsmiddel beroep door het beroep ongegrond te verklaren en het (eerste) verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
6.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de uiterste overdrachtsdatum van
17 april 2026 niet is opgeschort. Het beroep van verzoekster heeft dan ook een redelijke kans van slagen. Het verweer van de minister treft geen doel. Er is een definitieve situatie ontstaan na de uitspraak in beroep. Het standpunt van de minister dat er pas sprake zou zijn van een definitieve beslissing in beroep na beëindiging van de verzetsprocedure is onjuist. Er is immers ook niet pas sprake van een definitieve beslissing in beroep na de beëindiging van de hoger beroepsprocedure. Dat er in een verzetsprocedure sprake is van toetsing door hetzelfde gerecht, terwijl de toetsing in een hoger beroepsprocedure plaatsvindt door een ander of hoger gerecht maakt dit niet anders. Tot slot merkt de voorzieningenrechter op dat ook het Informatiebericht [15] van de minister zelf – voor zover hier relevant – alleen spreekt over beroep en daarbij niet een definitieve beslissing in beroep na een verzetsprocedure aanhaalt.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoekster haar beroep in Nederland mag afwachten. Dit betekent dat de minister verzoekster op 5 juni 2026 niet mag overdragen aan Frankrijk.
7.1.
De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verzoekster de beslissing op het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn in Nederland mag afwachten en dat verzoekster tot die tijd niet mag worden overdragen aan Frankrijk;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Het beroep en het daaraan connexe verzoek om een voorlopige voorziening staan bekend onder de zaaknummers NL26.5069 en NL26.5070.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Dit verzet heeft het zaaknummer Awb 26/4949 gekregen.
5.Dit verzoek heeft het zaaknummer Awb 26/5122 gekregen.
6.AWB 26/4949 V.
7.NL26.31255.
8.Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
9.Artikel 29, tweede lid, Dublinverordening.
10.HvJEU, 30 maart 2023, ECLI:EU:C:2023:27.
11.AbRS, 22 november 2023, ELCI:NL:RVS:2023:4197.
12.Zoals bedoel in artikel 29 van Pro de Dublinverordening.
13.Rechtbank Den Haag, 3 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14759.
15.Informatiebericht 2024/71.