ECLI:NL:RVS:2023:4198
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Opschorting Dublin-overdrachtstermijn bij voorlopige voorziening in hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam een asielaanvraag van een vreemdeling niet in behandeling omdat Denemarken verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. De vreemdeling stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om overdracht te voorkomen. De rechtbank vernietigde het besluit maar wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De staatssecretaris stelde hoger beroep in en vroeg opnieuw om een voorlopige voorziening, die werd toegewezen.
Het Hof van Justitie oordeelde dat opschorting van de overdrachtstermijn in hoger beroep alleen mogelijk is als in eerste aanleg de uitvoering van het overdrachtsbesluit is opgeschort. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening niet automatisch opschorting betekent; daarvoor is een rechterlijke beslissing vereist.
De Afdeling stelt dat de overdrachtstermijn in deze zaak is verstreken en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris niet-ontvankelijk. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige beslissingen op voorlopige voorzieningen en wijst op mogelijke aanpassingen in de rechtspraktijk of wetgeving om vertragingen te voorkomen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is niet-ontvankelijk verklaard omdat de overdrachtstermijn is verstreken.