Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14982

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL25.53057
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing mvv-aanvraag wegens ontbreken gezinsleven tussen grootmoeder en zoon ondanks hechte banden met kleinkinderen

Eiseres, van Syrische nationaliteit, verzocht om een machtiging voorlopig verblijf (mvv) voor hereniging met haar zoon, schoondochter en kleinkinderen in Nederland. De minister verleende de mvv aan de echtgenote en kinderen van de zoon, maar wees de aanvraag van eiseres af. De rechtbank beoordeelde in een eerdere uitspraak dat er hechte banden bestonden tussen eiseres en haar kleinkinderen, maar dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat er geen bijkomende afhankelijkheid was tussen eiseres, haar zoon en schoondochter.

Na een nieuw besluit van de minister, dat de afwijzing handhaafde, stelde eiseres dat er sprake was van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid, zowel financieel als emotioneel. De rechtbank oordeelde echter dat samenwoning in de Syrische cultuur niet automatisch wijst op bijzondere afhankelijkheid en dat de minister voldoende had gemotiveerd dat er geen structurele financiële of praktische afhankelijkheid bestond. Ook de emotionele band werd als gebruikelijk beoordeeld.

De minister erkende wel het gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen, maar maakte een belangenafweging die in het nadeel van eiseres uitviel, mede omdat de primaire hechtingsfiguren de biologische ouders zijn en eiseres in Syrië intensief contact onderhoudt met andere familieleden. De rechtbank vond de belangenafweging begrijpelijk en feitelijk juist en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van gezinsleven met haar zoon en schoondochter.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53057

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiseres,

geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om hereniging met haar zoon, haar schoondochter en haar kleinkinderen. De zoon van eiseres, [naam 2] is de referent bij de aanvraag. In Syrië heeft eiseres vanaf 2008 met de genoemde familieleden samengewoond, tot het vertrek van referent in 2021. Daarna woonde eiseres samen met haar schoondochter en kleinkinderen. Referent heeft voor hen allen aanvragen ingediend tot verlening van een machtiging voorlopig verblijf (mvv), om met hen te worden herenigd in Nederland. De minister heeft de aanvragen voor de echtgenote en de kinderen van referent ingewilligd, maar afgewezen voor eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van familieleven tussen eiseres en referent en tussen eiseres en haar schoondochter, en dat de belangafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiseres uitvalt. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In een voorgaande procedure [1] heeft deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 24 juli 2025 onder meer geoordeeld dat er sprake is van hechte en persoonlijke banden tussen eiseres en de kinderen van referent maar dat door de minister onvoldoende was gemotiveerd dat geen sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres, referent en haar schoondochter. De minister is opgedragen opnieuw te beslissen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 7 oktober 2025 heeft de minister, na een hoorzitting, opnieuw op het bezwaar van eiseres beslist en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, referent, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
2.4. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiseres hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Beoordeling door de rechtbank3. De rechtbank verwijst voor de achtergronden bij deze zaak en het oordeel over de hechte, persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkinderen naar de onder 2. aangehaalde uitspraak. Relevante overwegingen worden hier niet herhaald.
3.1. De rechtbank beoordeelt thans of de minister heeft voldaan aan de opdracht om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Het gaat dan om het standpunt van de minister over het ontbreken van gezinsleven tussen eiseres en referent en diens echtgenote, omdat niet gebleken is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verder gaat het om de door de minister gemaakte belangenafweging, omdat sprake is van gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar zoon en schoondochter
4. Eiseres stelt dat door de minister in het nieuwe besluit op bezwaar een onjuiste invulling is gegeven aan hetgeen door de rechtbank is overwogen in overweging 5.6 van de uitspraak van 24 juli 2025, omdat de samenwoning tussen eiseres en het gezin van referent nu juist wel meer dan gebruikelijk was. Er is sprake van financiële afhankelijkheid van eiseres, nu referent voor haar geld opneemt. Dat eiseres ook door broers/zussen van referent financieel kan worden onderhouden is hierbij niet relevant. Eiseres benadrukt de emotionele afhankelijkheid van referent. Die is meer dan gebruikelijk omdat het een hecht gezin is waarin eiseres hielp bij de opvoeding van haar kleinkinderen. De oorlog en het overlijden van de echtgenoot van eiseres heeft dat nog versterkt.
4.1.
Anders dan eiseres oordeelt de rechtbank dat de minister op juiste wijze invulling heeft gegeven aan de overweging in de uitspraak die ziet op de samenwoning tussen eiseres en (het gezin van) referent. Niet in geschil is dat sinds 2008 sprake was van samenwoning. De minister heeft zich echter op het standpunt kunnen stellen dat het enkele feit dat tot het vertrek van referent uit Syrië en vervolgens tot het vertrek van de echtgenote en kinderen van referent sprake was van samenwoning, niet maakt dat sprake is van een band die de gebruikelijke banden die tussen gezins- en/of familieleden bestaan overstijgt. Terecht stelt de minister daarbij dat volwassenen met elkaar kunnen samenwonen zonder dat zij (meer dan gebruikelijk) afhankelijk van elkaar zijn. Hierbij wordt betrokken dat het in de Syrische cultuur niet ongebruikelijk is om samen te wonen met de (schoon)ouders. Samenwoning is daarom op zichzelf niet voldoende om te spreken van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie.
4.2.
Referent heeft een aantal bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat enkele malen door hem geldbedragen zijn opgenomen. Daarmee is echter niet aannemelijk gemaakt dat deze opnames zijn gedaan ten behoeve van eiseres. Evenmin is daarmee komen vast te staan dat eiseres in financiële zin structureel en alleen van referent afhankelijk is. Zo heeft referent niet duidelijk gemaakt of zijn broers en zussen eiseres (ook) financieel kunnen ondersteunen, nog daargelaten de vraag of de financiële ondersteuning niet op afstand voortgezet kan worden.
4.3.
Uit het dossier blijkt niet dat eiseres materieel (praktisch) afhankelijk is van referent of zijn echtgenote. Referent heeft aangegeven dat eiseres geen praktische hulp van anderen nodig heeft en ook zelf huishoudelijke taken kan uitvoeren. Ook is niet gesteld en gebleken dat de gezondheid van eiseres op enige wijze leidt tot een bijzondere medische afhankelijkheidsrelatie.
4.4.
Niet in geschil is dat sprake is van een hechte emotionele band tussen eiseres en referent en diens echtgenote. Niet ten onrechte stelt de minister zich echter op het standpunt dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om deze gebruikelijk band tussen een ouder en kind in onderhavige zaak te kunnen kwalificeren als een meer dan gebruikelijke (emotionele) band. De rechtbank acht de door de minister gegeven motivering voldoende en betrekt daarbij dat eiseres, ondanks het vertrek van het gezin van referent, een sterke binding heeft met Syrië.
4.5.
Gelet op hetgeen onder 4.1. tot en met 4.4. is overwogen oordeelt de rechtbank dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent en tussen eiseres en haar schoondochter. De minister heeft daarbij ook voldoende de combinatie van factoren gewogen. [2]
Belangenafweging gelet op het gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen
5. De minister heeft in het besluit van 7 oktober 2025 hechte persoonlijke banden aangenomen tussen eiseres en haar kleinkinderen en heeft daarmee aangenomen dat er sprake is van gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen. De minister heeft een belangenafweging gemaakt die in het nadeel van eiseres uitvalt.
5.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de bestuursrechter zonder terughoudendheid moet toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij de belangenafweging heeft betrokken, of de minister aan die omstandigheden ook een concrete beoordeling heeft toegekend en of die concrete beoordeling ook feitelijk juist is. De bestuursrechter moet nagaan of de redenering van de minister in objectieve zin begrijpelijk is. Dat wil zeggen, of de redenering aansluit bij de relevante feiten en omstandigheden van het voorliggende geval. Vervolgens geldt voor de weging van die feiten en omstandigheden een
margin of appreciationen dat moet de rechtbank daarom enigszins terughoudend toetsen. [3]
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij de belangenafweging betrokken. Niet is gebleken dat de minister aan die omstandigheden geen concrete beoordeling heeft toegekend of dat die beoordeling feitelijk onjuist is. Zo heeft de minister betrokken dat eiseres en haar kleinkinderen een zeer lange tijd met elkaar hebben samengeleefd en dat eiseres een aanzienlijke rol heeft gehad in de opvoeding van haar kleinkinderen. Daarbij heeft de minister kunnen stellen dat referent en zijn echtgenote de primaire hechtingsfiguren zijn voor de kleinkinderen en zij bij hun biologische ouders verblijven. Niet ten onrechte stelt de minister dat niet is gebleken dat de aard en intensiteit van het gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen in de onderhavige situatie zwaarder in het voordeel van eiseres zou moeten meewegen. Het is primair in het belang van de kinderen om bij referent en zijn echtgenote te zijn. De stelling van eiseres dat aan referent een asielvergunning is verleend en eiseres door het vertrek van het gezin van referent er in Syrië alleen voor is komen te staan, treft geen doel. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de oom en nichtjes van referent in Syrië wonen en eiseres intensief contact met hen onderhoudt. Eiseres is daar dus niet alleen achtergebleven, hetgeen niet ten onrechte licht in het nadeel van eiseres meeweegt. Ook de stelling van eiseres dat de mate van emotionele afhankelijkheid met zich brengt dat de belangenafweging in het voordeel van eiseres zou moeten uitvallen, treft geen doel nu er geen aanknopingspunten zijn om de gebruikelijk band die bestaat tussen een grootouder en kleinkind in onderhavige zaak te kunnen kwalificeren als een meer dan gebruikelijke (emotionele) band. De minister heeft eveneens terecht van belang geacht dat referent een beroep doet op de Participatiewet en dit ook voor eiseres zal gelden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM [4] terecht in het nadeel van referent heeft laten uitvallen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. De minister heeft het bezwaar terecht afgewezen als ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BeslissingDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr.Y. van Wijk, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.NL25.14474.
2.Bestreden besluit, p. 14 en 15.
3.Zie de uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187 en 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4790.
4.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.