Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14983

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL26.4478
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 IVRKArt. 12 IVRKArt. 24 lid 2 EU-HandvestArt. 28 Vw 2000Art. 30b lid 1 onder g Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens schending hoorrecht minderjarig kind

Eiseres, een Iraakse vrouw, diende op 29 december 2023 een opvolgende asielaanvraag in die door de minister op 20 januari 2026 werd afgewezen als kennelijk ongegrond, met oplegging van een inreisverbod van twee jaar. Eiseres betoogde dat zij en haar minderjarige kind, die beiden in Nederland verblijven, onvoldoende in hun belangen zijn betrokken, met name dat het kind niet is gehoord.

De rechtbank oordeelt dat de minister het minderjarige kind, dat op het moment van het voornemen 13 jaar was en inmiddels 14, niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn mening vrijelijk te uiten, zoals vereist op grond van artikel 3 en Pro 12 van het IVRK en artikel 24 van Pro het EU-Handvest. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in een uitspraak van 20 augustus 2025 geoordeeld dat kinderen tussen 12 en 15 jaar zonder zelfstandig asielmotief gehoord moeten worden, tenzij dit gemotiveerd wordt achterwege gelaten.

Hoewel het voornemen van de minister dateert van vóór deze uitspraak, is het nieuwe beleid inmiddels van kracht en had de minister het kind alsnog moeten horen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt de minister op binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het kind de mogelijkheid moet krijgen zijn mening te geven. De rechtbank veroordeelt de minister tevens in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het minderjarige kind niet is gehoord; de minister moet binnen 12 weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4478

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiseres

geboren op [geboortedatum 1] ,
V-nummer: [v-nummer 1] ,
mede namens haar minderjarige kind,
[naam 2],
geboren op [geboortedatum 2] ,
V-nummer: [v-nummer 2] ,
beiden van Iraakse nationaliteit
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 29 december 2023 een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. [2] Op het verzoek om een voorlopige voorziening wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres legt aan haar opvolgende asielaanvraag ten grondslag dat zij een relatie heeft gehad met een man genaamd [naam 3] . Nadat deze relatie was geëindigd, heeft [naam 3] expliciete foto’s van eiseres verspreid. Om die reden wordt eiseres door haar familie bedreigd, evenals door haar ex-man. Ook kan eiseres niet terug naar Irak omdat zij een alleenstaande vrouw is.
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen vanwege de foto’s;
3. Alleenstaande vrouw.
De minister acht de problemen vanwege de foto’s niet geloofwaardig en acht niet geloofwaardig dat eiseres een alleenstaande vrouw is. Eiseres heeft volgens de minister onvoldoende documenten gegeven en heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven. Ook vormen haar verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel en kan zij in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [3]
5. Eiseres voert in haar eerste beroepsgrond aan dat de minister heeft verzuimd de belangen van het minderjarige kind van eiseres ( [naam 4] ) vast te stellen en te beoordelen. Eiseres heeft verwezen naar artikel 3, lid 1, van het IVRK [4] , artikel 12 van Pro het IVRK en artikel 24, lid 2, van het EU Handvest. Hieruit volgt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind een eerste overweging dan wel essentiële overweging vormen en dat het kind het recht heeft om zijn mening te uiten in zaken die hem aangaan en dat aan die mening passend belang wordt gehecht, rekening houdend met zijn leeftijd en rijpheid. Eiseres heeft verder gewezen op een uitspraak van de Afdeling [5] van 20 augustus 2025 [6] waarin is geoordeeld dat meereizende kinderen tussen 12 en 15 jaar zonder zelfstandig asielmotief in de gelegenheid moeten worden gesteld te worden gehoord en hun mening te geven. Dit klemt voor [naam 4] volgens eiseres te meer omdat hij na bijna 5 jaar onafgebroken verblijf is geworteld in Nederland. Eiseres wijst erop dat [naam 4] door de minister niet in de gelegenheid is gesteld zijn mening vrijelijk te uiten in een gesprek met een gekwalificeerde medewerker van de IND, terwijl hij ten tijde van het voornemen 13 jaar oud was en thans 14 jaar oud is.
6. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in de uitspraak van 20 augustus 2025 heeft geoordeeld dat de werkwijze van de minister zoals opgenomen in paragraaf C1/2.11 van de Vc [7] niet in overeenstemming is met artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 12 van Pro het IVRK. De minister moet de minderjarige na een daartoe strekkend verzoek in beginsel horen en anders motiveren waarom hij daarvan afziet.
6.1.
De uitspraak van de Afdeling heeft geleid tot wijziging van het beleid. De minister heeft hierover een Informatiebericht [8] uitgebracht, dat als ingangsdatum 27 augustus 2025 heeft.
6.2.
Op het moment dat de minister het voornemen uitbracht in onderhavige zaak, had de Afdeling de onder 6. aangehaalde uitspraak nog niet gedaan. De minister kon daar op dat moment dan ook nog geen rekening mee houden. Nu daarna echter het beleid door de minister is gewijzigd en de zienswijze van 5 januari 2026 dateert - aldus van na de aangehaalde Afdelingsuitspraak en de inwerkingtreding van het nieuwe beleid - had het op de weg van de minister gelegen [naam 4] alsnog de mogelijkheid te bieden om te worden gehoord. Temeer daar in de zienswijze hierop expliciet wordt gewezen. Dat daarbij niet wordt aangegeven waarom [naam 4] een eigen gehoor wil, zoals door de gemachtigde van de minister op zitting is aangegeven, doet daaraan niet af.
6.3.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister in deze zaak [naam 4] in staat had moeten stellen zijn mening vrijelijk te geven en dat van deze mening kennis werd genomen. Wanneer de minister ervoor kiest om, ondanks het daartoe strekkend verzoek, [naam 4] in diens belang niet rechtstreeks te horen, moet de minister dit toegespitst op de concrete situatie motiveren in zijn besluit.
6.4.
Omdat mogelijk is dat tijdens de hoorzitting met [naam 4] informatie, feiten of omstandigheden naar voren komen die van belang kunnen zijn voor de beoordeling door de minister van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres, onthoudt de rechtbank zich van een oordeel over de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

7.
Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen op de aanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een nadere beslistermijn van 12 weken.
8. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,00 bij een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op om binnen twaalf weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Het verzoek voorlopige voorziening is geregistreerd onder nummer NL26.4479.
3.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
4.Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Vreemdelingencirculaire 2000.
8.IB 2025/38.