Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15008

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL26.19759
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland

Eiser, een Jemenitische nationaliteit, vroeg op 4 januari 2026 asiel aan in Nederland. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening, gezien een eerdere asielaanvraag van eiser in Duitsland op 18 juli 2024 die op 18 december 2025 werd afgewezen.

Eiser voerde aan dat Duitsland zijn asielaanvraag niet goed heeft behandeld, dat hij psychische problemen en verslaving heeft ontwikkeld, en vreest dat hij bij overdracht aan Duitsland geen adequate behandeling krijgt en mogelijk onterecht wordt uitgezet. Hij stelde dat verweerder ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan en zijn aanvraag niet aan zich heeft getrokken op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro.

De rechtbank oordeelt dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij alleen kan worden afgeweken als sprake is van systematische tekortkomingen in Duitsland. Eiser heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Ook zijn individuele omstandigheden zijn onvoldoende onderbouwd met medische stukken. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter K.M. de Jager op 3 juni 2026 en openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is en geen systematische tekortkomingen zijn aangetoond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19759

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1994 en de Jemenitische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 4 januari 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 18 juli 2024 in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Dit verzoek is op 18 december 2025 afgewezen. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening [3] de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 11 februari 2026 geaccepteerd.
3. Eiser voert in beroep het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte geen nader onderzoek verricht naar de feitelijke omstandigheden rondom eisers asielaanvraag in Duitsland en stelt ongemotiveerd dat erop mag worden vertrouwd dat Duitsland zich aan zijn verdragsverplichtingen houdt. De Duitse autoriteiten hebben niet goed naar eisers asielproblemen geluisterd. Daarbij is door de Duitse autoriteiten niet met alle door eiser aangevoerde problemen rekening gehouden in de beoordeling van zijn asielaanvraag. Eiser geeft aan slecht te zijn behandeld in Duitsland, een verslaving te hebben en psychische problemen te hebben gekregen, die mede zijn veroorzaakt door de situatie in Duitsland. Hij vreest bij overdracht aan Duitsland geen psychische behandeling te krijgen en zonder inhoudelijke behandeling van de aanvraag te worden uitgezet naar Jemen. Ook vreest hij dat hij in detentie zal moeten verblijven en dat de voorzieningen zullen stoppen. Daarbij stelt hij dat klagen in Duitsland geen optie is, omdat de Duitse autoriteiten zich niet aan de regels houden die gelden in de asielprocedure en hij niet bekend is met de werking van de klachtprocedures. Verweerder heeft daarom ten onrechte eisers asielaanvraag niet onverplicht aan zich getrokken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Als geen systematische tekortkomingen zijn gebleken, wordt geen onderzoek gedaan naar een eerdere beoordeling van een asielaanvraag in een andere lidstaat, zoals in dit geval Duitsland. [4]
5. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in Duitsland sprake is van dergelijke systematische tekortkomingen. Het enkele feit dat eiser vindt dat zijn aanvraag niet goed is beoordeeld, is hiervoor onvoldoende. De Duitse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. In geval van voorkomende problemen kan eiser in Duitsland klagen bij de Duitse rechter of andere competente autoriteiten. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
6. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Voor zover eiser zich beroept op zijn gestelde medische omstandigheden heeft hij deze niet met stukken onderbouwd. Het hierboven besproken interstatelijk vertrouwensbeginsel brengt mee dat ervan uit mag worden gegaan dat de medische voorzieningen in Duitsland vergelijkbaar zijn met de voorzieningen in Nederland. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is.
7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 3 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van B. Biyikli, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.