ECLI:NL:RBDHA:2026:15092

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL23.25323
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:54 AwbRichtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit niet-ontvankelijk verklaard

Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende persoon die vanuit Oekraïne naar Nederland kwam en tijdelijk bescherming genoot op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, stelde beroep in tegen het besluit van 28 augustus 2023 waarin zijn recht op tijdelijke bescherming werd beëindigd en een terugkeerbesluit werd opgelegd.

Verweerder trok het besluit van 28 augustus 2023 op 29 januari 2024 in en stelde dat het verblijfsrecht van eiser van rechtswege eindigt op 4 maart 2024, zonder een nieuw terugkeerbesluit op te leggen. Eiser handhaafde zijn beroep, mede gericht tegen het intrekkingsbesluit.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, omdat verweerder aan het beroep tegemoet is gekomen door het terugkeerbesluit in te trekken en geen nieuw terugkeerbesluit is opgelegd. Het enkel handhaven van het beroep voor meer duidelijkheid over het eerder genoten verblijfsrecht is onvoldoende.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 934,-. De uitspraak werd gedaan door rechter E.M.A. Vinken.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming en het terugkeerbesluit wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

bRECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.25323

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn recht op tijdelijke bescherming en het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 28 augustus 2023 aan eiser medegedeeld dat eisers recht op tijdelijke bescherming op 4 september 2023 eindigt. Verweerder heeft eiser met dit besluit een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.2.
Vervolgens heeft verweerder met het besluit van 29 januari 2024 het besluit van 4 september 2023 ingetrokken.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. [2]
2.1.
Op 28 augustus 2023 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 september 2023, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met hetzelfde besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 28 augustus 2023. Verweerder heeft dat besluit op 29 januari 2024 ingetrokken en medegedeeld dat het verblijfsrecht van eiser van rechtswege eindigt op 4 maart 2024 [3] . Ook heeft verweerder medegedeeld dat eiser de beslissing op zijn asielaanvraag, die zal worden behandeld na 4 maart 2024, in Nederland mag afwachten. Verweerder heeft geen nieuw terugkeerbesluit opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Op verzoek van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 29 februari 2024 laten weten dat hij het beroep handhaaft en dat het beroep zich mede richt tegen het besluit van 29 januari 2024. [4] Eiser betoogt belang te hebben bij de behandeling van zijn beroep, omdat hij belang heeft bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een intrekking of van een beëindiging van het verblijfsrecht en wat voor soort verblijfsrecht eiser heeft genoten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 28 augustus 2023
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank overweegt dat verweerder aan het beroep van eiser is tegemoetgekomen omdat verweerder het (terugkeer-)besluit heeft ingetrokken. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat hij toch een procesbelang heeft bij het beroep. Het enkel handhaven van een beroep zodat hij meer duidelijkheid krijgt over zijn eerder genoten verblijfsrecht is daartoe onvoldoende. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Het beroep voor zover gericht tegen de brief van 29 januari 2024
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank rechtbank stelt vast dat verweerder aan eiser geen nieuw terugkeerbesluit heeft opgelegd. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat hij toch een procesbelang heeft bij het beroep. Het enkel handhaven van een beroep zodat hij meer duidelijkheid krijgt over zijn eerder genoten verblijfsrecht is daartoe onvoldoende. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Nu verweerder aan eiser tegemoet is gekomen door het besluit van 28 augustus 2023 in te trekken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten vast op € 934,-. [5]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
3.Verweerder heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:32).
4.Met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.