Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15119

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29853
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortzetting vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende medewerking en voortvarendheid minister

De minister heeft op 16 april 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die van Marokkaanse nationaliteit is. Eiser stelde beroep in tegen de voortzetting van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst en oordeelde toen dat deze rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek op 1 mei 2026.

In deze procedure stond de rechtmatigheid van de maatregel sinds die datum centraal. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelde, met name door geen onderzoek te doen naar zijn verlopen Spaanse verblijfsvergunning, wat mogelijk zou kunnen bijdragen aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank oordeelde echter dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, onder meer door schriftelijke rappellering aan de Marokkaanse autoriteiten en het voeren van een vertrekgesprek met eiser.

Daarnaast constateerde de rechtbank dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting, bijvoorbeeld door geen actie te ondernemen om documenten te verkrijgen. De rechtbank zag geen aanleiding om te oordelen dat een lichter middel dan vreemdelingenbewaring volstaat of dat de maatregel onrechtmatig is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29853

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

1. De minister heeft op 16 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Hierop heeft eiser gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft [2] en het onderzoek op 3 juni 2026 gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 mei 2026 [3] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 1 mei 2026.
3.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten eiser
4. Eiser voert aan dat door de minister onvoldoende voortvarend wordt gehandeld. Het enkel schriftelijk en in het algemeen rappelleren op alle lopende zaken bij de autoriteiten van Marokko acht eiser, twee maanden na een schriftelijke presentatie, onvoldoende. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij een Spaanse verblijfsvergunning heeft gehad, die inmiddels is verlopen. Ten onrechte heeft de minister hier geen onderzoek naar gedaan, terwijl uit een dergelijk onderzoek aanknopingspunten naar voren kunnen komen waarmee de identiteit en nationaliteit kunnen worden vastgesteld.
Beoordeling rechtbank
5. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De lp [5] -aanvraag is nog steeds in onderzoek en niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten geen lp zullen afgeven. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Marokkaanse autoriteiten. Ook acht de rechtbank van belang dat eiser onvoldoende medewerking verleent aan zijn uitzetting. Zo blijkt uit het verslag van het op 18 mei 2026 met eiser plaatsgevonden vertrekgesprek dat hij in de afgelopen periode geen actie heeft ondernomen ter verkrijging van documenten. De enkele stelling dat hij zijn paspoort is verloren, dat zijn ouders zijn overleden en dat niemand iets voor hem kan doen, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Niet is uitgesloten dat, indien eiser zijn volledige medewerking verleend, de Marokkaanse autoriteiten (sneller) zullen overgaan tot het verlenen van een lp. Ook hierom is het zicht op uitzetting gegeven.
5.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft op 15 mei 2026 schriftelijk gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Daarnaast heeft op 18 mei 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Gelet hierop en mede gelet op de duur van het lp-traject, ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door geen onderzoek te verrichten naar de verlopen Spaanse verblijfsvergunning.
5.2.
De rechtbank heeft in de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.
5.3.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. [6]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.
5.Laissez-passer.
6.Zie het arrest Adrar van het Hof van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en het arrest Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).