Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15120

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
C/09/686492 / HA ZA 25-510 en C/09/694363 HA ZA 25-991
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:94 BWArt. 6:127 BWArt. 6:130 BWArt. 6:136 BWArt. 6:101 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling en verrekening facturen onderaannemer met schadeclaim wegens illegale tewerkstelling

Finqle B.V. vordert betaling van onbetaalde facturen van onderaannemer [partij 3] B.V., die haar vorderingen aan Finqle heeft gecedeerd. [partij 2] B.V., hoofdaannemer, betwist betaling en vordert verrekening met een schadeclaim wegens illegale tewerkstelling door [partij 3]. Daarnaast vordert [partij 2] vrijwaring van [partij 3] voor eventuele boetes en naheffingsaanslagen.

De rechtbank oordeelt dat de vordering van Finqle toewijsbaar is, omdat de cessie rechtsgeldig is en de vordering niet is weersproken, behalve het beroep op verrekening. Het beroep op verrekening wordt afgewezen omdat [partij 2] onvoldoende heeft onderbouwd dat haar schadeposten verband houden met de tekortkoming van [partij 3]. De valse identiteitsbewijzen van arbeidskrachten zijn vastgesteld, waardoor [partij 3] toerekenbaar tekort is geschoten.

De rechtbank wijst de vordering van Finqle toe, wijst de reconventionele vordering van [partij 2] af en veroordeelt [partij 3] in verstek tot betaling van de schadevergoeding en vrijwaring. Proceskosten en wettelijke rente worden toegewezen aan de winnende partijen.

Uitkomst: Finqle krijgt betaling van facturen, verrekening wordt afgewezen, en onderaannemer wordt veroordeeld tot schadevergoeding en vrijwaring.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Vonnis van 3 juni 2026
in de hoofdzaak met zaaknummer/rolnummer C/09/686492 / HA ZA 25-510 van
FINQLE B.V., te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: Finqle,
advocaat: mr. D.J. Rijnbout, te Houten,
tegen
[partij 2] B.V., te [vestigingsplaats 1],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [partij 2],
advocaat: mr. B.J. Maes, te Breda,
en
in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/09/694363 / HA ZA 25-991 van
[partij 2] B.V., te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [partij 2] ,
advocaat: mr. B.J. Maes, te Breda,
tegen
[partij 3] B.V.,te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [partij 3],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier in de hoofdzaak bestaat uit de volgende stukken:
- het vonnis in incident van 1 oktober 2025 en de daarin genoemde processtukken;
- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie;
- de akte onderbouwing van schadevordering van 11 februari 2026 van [partij 2], met de producties 10 tot en met 39;
- de antwoordakte van Finqle van 11 maart 2026.
1.2.
Het procesdossier in de vrijwaringszaak bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 4 november 2025, met de producties 1 tot en met 4;
- de akte onderbouwing van schadevordering tevens akte wijziging eis van 11 februari 2026, met de producties 5 en 6;
- het exploot van betekening van 4 maart 2026 van de daarin genoemde stukken;
- het herstelexploot van 24 maart 2026 van de daarin genoemde stukken.
1.3.
De mondelinge behandeling van de hoofd- en vrijwaringszaak heeft plaatsgevonden op 12 januari 2026. Finqle en [partij 2] hebben de zaak nader toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.
1.4.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Finqle is een handelsmaatschappij die gespecialiseerd is in het aankopen
van vorderingsrechten op handelsdebiteuren. Finqle en [partij 3] hebben op 26 april 2021 een overeenkomst tot koop van handelsvorderingen gesloten, waarbij Finqle zich heeft verbonden om handelsvorderingen van [partij 3] te kopen.
2.2.
[partij 3] heeft op basis van diverse overeenkomsten van onderaanneming van werk
werkzaamheden voor [partij 2] uitgevoerd. Het ging onder meer om onkruidbeheer en het onkruidvrij maken van percelen in de gemeente Westland. Hiervoor heeft [partij 3] [partij 2] facturen gestuurd.
2.3.
Bij brief van 11 juli 2023 heeft [partij 2] aan [partij 3] het volgende meegedeeld:
“Wij stellen U op voorhand aansprakelijk voor de schade die wij lijden indien de arbeidskrachten die [partij 3] BV arbeid heeft laten verrichten niet beschikken of beschikten over een geldig identiteitsbewijs en/of een tewerkstellingsvergunning (TWV) dan wel een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA).
Tevens deel ik u mede dat de betreffende arbeidskrachten met onmiddellijke ingang van het werk worden gestuurd in afwachting van de uitkomst van het onderzoek naar de echtheid van de ID-bewijzen.”
2.4.
[partij 3] heeft hierna alle medewerkers van het werk gehaald en heeft niets meer van zich laten horen.
2.5.
[partij 3] heeft haar vorderingen ten aanzien van (het vrije gedeelte van) acht facturen die betrekking hebben op meerdere projecten verkocht en overgedragen aan Finqle. Deze acht (aan [partij 2] gerichte) facturen (uit de periode 12 juni 2023 tot en met 10 juli 2023) zijn tot een bedrag van € 227.926,03 onbetaald gebleven. In haar facturen heeft [partij 3] mededeling van deze overdracht gedaan.

3.Het geschil

in de hoofdzaak
in conventie
3.1.
Finqle vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I [partij 2] veroordeelt tot betaling aan Finqle van € 284.327,29, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 255.914,15 vanaf 1 juni 2025 tot aan de dag van algehele voldoening;
II [partij 2] veroordeelt in de kosten van de procedure, met wettelijke rente.
3.2.
Finqle legt aan de vordering, samengevat, het volgende ten grondslag. [partij 3] heeft in opdracht en voor rekening van [partij 2] diverse werkzaamheden uitgevoerd, waaronder onkruidbeheer en het onkruidvrij maken van diverse percelen, op grond van tussen [partij 2] en [partij 3] gesloten overeenkomsten van onderaanneming. [partij 3] heeft de vorderingen tot betaling voor deze werkzaamheden deels verkocht en overgedragen (gecedeerd) aan Finqle. Finqle is daarom gerechtigd te vorderen dat [partij 2] tot betaling aan Finqle overgaat, te vermeerderen met rente en kosten. [partij 2] is het volgende verschuldigd:
- hoofdsom (saldo vrije gedeelte 8 facturen gecedeerd): € 227.926,03
- wettelijke handelsrente tot en met 31 mei 2025: € 53.486,63
- buitengerechtelijke incassokosten:
€ 2.914,63
Totaal: € 284.327,29
3.3.
[partij 2] concludeert tot afwijzing van de vordering.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[partij 2] vordert, samengevat, - onder de voorwaarde dat haar beroep op verrekening in conventie niet slaagt - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I voor recht verklaart dat [partij 2] een tegenvordering heeft op [partij 3] en dat [partij 2] deze vordering mag verrekenen met de vordering van Finqle;
II Finqle veroordeelt in de kosten van de procedure, met wettelijke rente.
3.6.
[partij 2] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij een tegenvordering heeft op [partij 3], die zij ook aan Finqle kan tegenwerpen, omdat [partij 3] bij de uitvoering van de overeenkomsten van onderaanneming ernstig is tekortgeschoten en schadeplichtig is jegens [partij 2]. De omvang van deze schade overstijgt ruimschoots het bedrag van de vordering van Finqle, zodat [partij 2] niets meer aan Finqle verschuldigd is.
3.7.
Finqle concludeert tot afwijzing van de vordering.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak
3.9.
[partij 2] vordert, samengevat, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I [partij 3] veroordeelt om [partij 2] te vrijwaren voor alle eisen en aanspraken van Finqle in de hoofdzaak en - indien [partij 2] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld tot betaling van een geldsom aan Finqle - te betalen aan [partij 2] hetgeen waartoe [partij 2] jegens Fingle in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, waaronder in ieder geval begrepen de hoofdsom, de (proces)kosten, nakosten en de wettelijke rente over deze bedragen in de hoofdzaak, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis;
II [partij 3] veroordeelt tot betaling aan [partij 2] van € 1.164.166,83, vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025, onder aftrek van het bedrag dat [partij 2] heeft kunnen verrekenen met de vordering van Finqle in de hoofdzaak, althans onder aftrek van het bedrag wat [partij 3] ingevolge de vordering aan [partij 2] verschuldigd is, met uitzondering van de daarover verschuldigde rente;
III [partij 3] veroordeelt om - indien en voor zover [partij 2] naar aanleiding van het in deze dagvaarding omschreven handelen van [partij 3] door de Nederlandse Arbeidsinspectie een boete wordt opgelegd en tot betaling wordt gehouden en/of indien [partij 2] een naheffingsaanslag op grond van de WKA aan de Belastingdienst dient te voldoen - aan [partij 2] het volledige bedrag van die boete en/of naheffingsaanslag te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van betaling door [partij 2] aan de Nederlandse Arbeidsinspectie respectievelijk de Belastingdienst tot aan de dag van algehele voldoening;
IV [partij 3] veroordeelt in de proceskosten, met wettelijke rente.
3.10.
[partij 2] legt aan deze vorderingen het volgende ten grondslag. [partij 3] is bij de uitvoering van de onderaannemingsovereenkomsten ernstig tekortgeschoten door arbeidskrachten met valse identiteitsbewijzen (illegale tewerkstelling) in te zetten. Nadat [partij 2] [partij 3] daarop bij brief van 11 juli 2023 heeft aangesproken, heeft [partij 3] op 11 juli 2023 alle arbeidskrachten teruggetrokken, waarna [partij 3] met de noorderzon is vertrokken. Ten gevolge hiervan heeft [partij 2] schade geleden waarvoor [partij 3] aansprakelijk is. Ook moet [partij 3] eventuele boetes of naheffingsaanslagen, die wegens het inzetten van illegale arbeidskrachten aan [partij 2] zou kunnen worden opgelegd, aan [partij 2] vergoeden. Daarnaast moet [partij 3] [partij 2] vrijwaren ingeval van een veroordeling van [partij 2] in de hoofdzaak.
3.11.
Tegen [partij 3] is verstek verleend.

4.De beoordeling

in de hoofdzaak
in conventie
4.1.
In de hoofdzaak is de vordering van Finqle, afgezien van [partij 2]’s beroep op verrekening, niet weersproken en dus voor toewijzing vatbaar. Niet in geschil is dat de vordering van [partij 3] wegens de onbetaald gebleven facturen door cessie is overgegaan op Finqle (artikel 3:94 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Het verweer van [partij 2] is beperkt tot het beroep op verrekening met een tegenvordering jegens [partij 3].
4.2.
Artikel 6:127 lid 2 BW Pro bepaalt dat een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening heeft, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoord aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Uit artikel 6:130 lid 1 BW Pro volgt dat in geval van cessie verrekening mogelijk is, indien de tegenvordering op de cedent van de vordering (in dit geval: [partij 3]) voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding als de gecedeerde vordering of indien de tegenvordering ten tijde van de mededeling van cessie al bestond en opeisbaar was. Hoewel dit niet blijkt uit de tekst van artikel 6:130 BW Pro, is de omstandigheid dat de schuld en de tegenvordering voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding op zichzelf onvoldoende om te mogen verrekenen. Doorslaggevend is of de tegenvordering van de schuldenaar voldoende nauw samenhangt met de gecedeerde vordering. [1] Daarnaast kan in conventie artikel 6:136 BW Pro van belang zijn. Uit deze bepaling volgt dat de rechter een vordering ondanks een beroep van de verweerder op verrekening kan toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is.
4.3.
Op grond van de hoofdregel van het bewijsrecht (artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering) is het aan [partij 2] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, zo deze worden betwist, te bewijzen waaruit kan volgen dat zij een tegenvordering heeft die voldoet aan de vereisten van de artikelen 6:127 en 6:130 BW.
4.4.
Over deze tegenvordering stelt [partij 2], samengevat, het volgende. [partij 3] is bij de uitvoering van de onderaannemingsovereenkomsten ernstig tekortgeschoten door Georgische arbeidskrachten met valse Slowaakse identiteitsbewijzen in te zetten, zodat er sprake was van illegale tewerkstelling. Nadat [partij 2] [partij 3] daarop bij brief van 11 juli 2023 heeft aangesproken, heeft [partij 3] op 11 juli 2023 alle arbeidskrachten op teruggetrokken, waarna zij met de noorderzon is vertrokken en dus feitelijk is gestopt met de nakoming van de overeenkomsten. Ten gevolge hiervan heeft [partij 2] schade geleden en zal zij mogelijk nog meer schade lijden.
4.5.
Finqle stelt niet dat een eventuele tegenvordering van [partij 2] onvoldoende nauw samenhangt met de gecedeerde vordering. Zij betwist dat [partij 2] überhaupt een tegenvordering heeft die voor verrekening in aanmerking komt. Dit verweer zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.
4.6.
Finqle betwist dat de veertien Slowaakse identiteitskaarten waarvan [partij 2] een foto heeft overgelegd, vals waren. Maar ook als ze vals waren, is volgens Finqle van belang dat de betreffende personen naast de Georgische nationaliteit ook de Slowaakse nationaliteit kunnen hebben gehad. In dat geval waren het EU-burgers, die mochten werken in Nederland, aldus Finqle.
4.7.
Dit betoog gaat niet op. Zoals [partij 2] ter zitting heeft toegelicht, ontbreken aan de identiteitskaarten meerdere echtheidskenmerken van het model dat Slowakije in 2022 - het jaar dat op de identiteitskaarten is vermeld - hanteerde. Het meest opvallend is dat de kaarten geen chip aan de achterzijde hadden. Finqle heeft dit niet weersproken. Hiermee staat voldoende vast dat de identiteitskaarten vals waren.
4.8.
In het midden kan blijven of de betreffende personen wel (mede) de Slowaakse nationaliteit hadden. In artikel 9 van Pro de onderaannemingsovereenkomsten is immers - in het kader van de Wet ketenaansprakelijkheid - bepaald dat de betrokken medewerkers zich op de eerste werkdag op het project dienden te kunnen legitimeren met een geldig identiteits-bewijs, waarvan in dit geval geen sprake was. In de contractuele rechtsverhouding tussen [partij 2] en [partij 3] komt het voor rekening en risico van [partij 3] dat de door haar ingezette medewerkers zich met valse identiteitsbewijzen identificeerden. Dit een en ander leidt de rechtbank tot oordeel dat [partij 3] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de onderaannemingsovereenkomsten.
4.9.
Finqle stelt zich verder op het standpunt dat [partij 3] niet in verzuim is geraakt, nu zij niet in gebreke is gesteld.
4.10.
Dit verweer moet worden verworpen. Met haar brief van 11 juli 2023 heeft [partij 2] [partij 3] geconfronteerd met de valse identiteitsbewijzen. Gelet hierop had van [partij 3] mogen worden verwacht dat zij alsnog met spoed arbeidskrachten met geldige identiteitsbewijzen zou hebben ingezet. In plaats daarvan heeft [partij 3] alle medewerkers van het werk gehaald en heeft zij niets meer van zich laten horen. Zoals [partij 2] onweersproken ter zitting heeft verklaard, heeft zij [partij 3] ook niet meer kunnen bereiken. Onder deze omstandigheden brengen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid mee dat ten aanzien van de door [partij 3] uit te voeren werkzaamheden het verzuim is ingetreden zonder dat een ingebrekestelling heeft plaatsgevonden. [2]
4.11.
Vervolgens is aan de orde of [partij 2] ten gevolge van de wanprestatie van [partij 3] schade heeft geleden en, zo ja, of deze schade meer bedraagt dan de vordering van Finqle. Laatstgenoemde heeft dat betwist en heeft ook een beroep gedaan op eigen schuld. [partij 2] heeft van de door de rechtbank geboden mogelijkheid om de schade bij akte nader te onderbouwen gebruik gemaakt en Finqle heeft daarop bij antwoordakte gereageerd.
4.12.
Volgens Finqle treft [partij 2] eigen schuld (artikel 6:101 BW Pro) omdat zij heeft nagelaten de Slowaakse identiteitsbewijzen op echtheid te controleren.
4.13.
Op dit punt is namens [partij 2] ter zitting, samengevat het volgende aangevoerd. De praktijk die zich heeft ontwikkeld is dat bij arbeidskrachten die zich presenteren als EU-burgers een mindere strenge controle geldt dan voor derdelanders. Van de werkgever wordt op dit punt niet meer verwacht dan van een normaal handelende burger. Dat betekent dat als het identiteitsbewijs op het eerste gezicht in orde lijkt, geen nadere controle hoeft plaats te vinden. Als de werkgever beschikt over apparatuur om de geldigheid van het identiteits-bewijs te checken, moet hij die wel gebruiken. In dit geval leken de identiteitsbewijzen op het eerste gezicht echt te zijn. [partij 2] beschikte niet over apparatuur om dat te checken. Dat is ook lastig als de werkzaamheden, zoals in dit geval, niet op een vaste plek plaatsvinden. Zonder nadere aanwijzingen, die er bij aanvang van de werkzaamheden niet waren, hoefde [partij 2] niet meer te doen dan zij heeft gedaan. Het moet aan Finqle worden toegerekend dat [partij 3] arbeidskrachten met valse identiteitsbewijzen heeft ingezet.
4.14.
Dit betoog heeft Finqle niet (voldoende gemotiveerd) weersproken. Volgens Finqle had [partij 2] extra scherp moeten zijn, omdat algemeen bekend is dat er in het Westland ook met illegale arbeidskrachten wordt gewerkt. Als dit zo is, neemt dat niet weg dat de identiteitsbewijzen op het eerste gezicht geldig leken en dat [partij 2] niet de apparatuur had om dat te controleren. Finqle heeft niet onderbouwd dat [partij 2] wel over die apparatuur had
moeten beschikken. Bovendien is de rechtbank met [partij 2] van oordeel dat het aan Finqle moet worden toegerekend dat [partij 3] arbeidskrachten met valse identiteitsbewijzen heeft ingezet en [partij 3] de door Finqle verlangde controle kennelijk ook niet heeft verricht. De conclusie is dat het beroep op eigen schuld wordt verworpen.
4.15.
Vervolgens komt de rechtbank toe aan bespreking van de door [partij 2] gestelde schadeposten. Niet in geschil is, dat deze schadeposten voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding als de gecedeerde vordering. In haar akte onderbouwing van de schadevordering maakt [partij 2] onderscheid tussen i) nog niet-gematerialiseerde schadeposten en ii) gematerialiseerde schadeposten.
Nog niet gematerialiseerde schade
4.16.
Met betrekking tot deze schadeposten stelt [partij 2] dat zij vanwege het gebruikmaken van de door [partij 3] geleverde illegale arbeidskrachten het risico loopt op een boete door de Nederlandse Arbeidsinspectie van € 192.000 en een naheffing door de Belastingdienst van € 460.318,97.
4.17.
De rechtbank is met Finqle van oordeel dat, nu nog niet duidelijk is dat deze boete en naheffingsaanslag aan [partij 2] zullen worden opgelegd, geen sprake is van een bestaande, afdwingbare, vordering van [partij 2] in de zin van artikel 6:127 lid 2 BW Pro. In zoverre wordt het beroep op verrekening afgewezen.
Gematerialiseerde schade van € 1.164.166,83
4.18.
Met betrekking tot deze schadeposten stelt Bunink dat zij als gevolg van het vertrek van [partij 3] voor de werkzaamheden voor de gemeente Westland (hierna: de gemeente) - de percelen 2 (projectnummer [nummer 1]) en 5 (projectnummer [nummer 2]) - op korte termijn vervangende arbeidskrachten heeft moeten inzetten. Hierdoor heeft zij veel extra kosten moeten maken. Daarnaast heeft de gemeente voor de werkzaamheden die door [partij 3] hadden moeten worden verricht contractuele boetes opgelegd, welke boetes zijn verrekend met de facturen van [partij 2]. Deze schadeposten worden door [partij 2] als volgt gespecificeerd:
a. a) door de gemeente opgelegde contractuele boetes:
- perceel 2: € 40.500
- perceel 5: € 18.750
b) inleenkosten van uitzendkrachten:
- perceel 2: € 751.601,51
- perceel 5:
€ 353.315,32
Totaal: € 1.164.166,83
4.19.
De onder b) bedoelde kosten heeft [partij 2] als volgt gespecificeerd:
Ad 4.18 onder a - contractuele boetes
4.20.
Met betrekking tot de contractuele boetes heeft [partij 2] in haar akte onderbouwing van schadevordering verwezen naar haar productie 8 en naar hetgeen over deze boetes ter zitting is verklaard.
4.21.
De rechtbank is met Finqle van oordeel dat [partij 2] deze schadepost, tegenover de betwisting door Finqle onvoldoende heeft onderbouwd. Uit productie 8 van [partij 2] (in het bijzonder de daarin opgenomen termijnstaten) kan worden opgemaakt dat de gemeente heeft verrekend. Waarvoor de gemeente de boetes heeft opgelegd is niet duidelijk, nu dat niet gedocumenteerd is onderbouwd. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat de boetes verband houden met de tekortkoming van [partij 3]. Hierop stuit het beroep op verrekening in zoverre af.
Ad 4.18 onder b- Inleenkosten van uitzendkrachten
4.22.
Het verweer van Finqle tegen deze schadeposten (antwoordakte 2.5.1-2.7) kan als volgt worden samengevat;
1. op de percelen 2 en 5 waren naast [partij 3] ook de andere onderaannemers als genoemd onder 4.19 werkzaam. [partij 2] heeft niet toegelicht welke concrete werkzaamheden aan [partij 3] zijn opgedragen en welke werkzaamheden [partij 3] per 11 juli 2023 nog had moeten uitvoeren;
2. [partij 2] heeft niet toegelicht welke (niet door [partij 3] uitgevoerde) werkzaamheden aan de derden zijn opgedragen; er zijn geen overeenkomsten met die derden overgelegd en evenmin is een planning of werkrooster overgelegd;
3. de gestelde schade bedraagt een viervoud van het bedrag dat [partij 3] niet in rekening heeft gebracht (€ 277.160). Die omvang van de schade is ongeloofwaardig temeer nu [partij 3] een uurtarief hanteerde € 24, terwijl door de derden gerekende uurtarieven geen viervoud daarvan bedragen;
4. [partij 2] heeft onvoldoende toegelicht dat zij op 11 juli 2023 haast had, omdat de door [partij 3] aangenomen werkzaamheden voor perceel 2 tot en met 12 november 2023 zouden duren en die voor perceel 5 tot en met 22 oktober 2023 zouden duren, met een
algehele uitloop tot februari 2024;
5. diverse facturen die [partij 2] heeft overgelegd (van Globen Intervent B.V., [bedrijfsnaam] B.V., Tops B.V. en Flexhub II B.V.) hebben (deels) betrekking op de periode vóór 11 juli 2023 en/of op materialen die onder de overeenkomst met [partij 3] voor rekening van [partij 2] kwamen;
6. bij de facturen van PeopleDirekt B.V. is sprake van een zodanige hoeveelheid uren dat die feitelijk onmogelijk kunnen zijn besteed aan de werkzaamheden;
7. Finqle betwist de echtheid van de door [partij 2] als productie 39 overgelegde verklaringen van Tops B.V., [bedrijfsnaam] B.V., Globen Intervent B.V. en PeopleDirekt B.V.
4.23.
De rechtbank overweegt als volgt. [partij 3] heeft een bedrag van € 277.160 niet in rekening gebracht, omdat in zoverre het door haar aangenomen werk niet was uitgevoerd. Dit betekent dat [partij 2] schade heeft geleden, als zij meer dan dit bedrag aan kosten heeft moeten maken, door anderen de werkzaamheden te laten uitvoeren die [partij 3] had moeten uitvoeren. Als deze extra kosten minimaal het bedrag van de vordering van Finqle belopen, € 284.327,29, is [partij 2] na verrekening niets meer verschuldigd aan Finqle.
4.24.
De rechtbank is van oordeel dat [partij 2], tegenover de gemotiveerde betwisting door Finqle, onvoldoende heeft onderbouwd dat zij als gevolg van de tekortkoming van [partij 3] de gestelde inleenkosten heeft moeten maken. [partij 2] heeft bij haar akte van 11 februari 2026 een kostenoverzicht, een enorm pak aan facturen en bankafschriften alsmede enkele schriftelijke verklaringen overgelegd (producties 10 tot en met 39). Zoals Finqle terecht heeft aangevoerd, heeft [partij 2] niet toegelicht welke werkzaamheden [partij 3] niet heeft uitgevoerd en welke werkzaamheden door welke onderaannemer zouden zijn overgenomen. Ook zijn er geen contracten met de onderaannemers overgelegd. Finqle heeft ook terecht aangevoerd dat sommige facturen (gedeeltelijk) betrekking hebben op de periode voordat [partij 3] haar werkzaamheden staakte, waaruit tevens blijkt dat [partij 3] op de twee percelen niet de enige onderaannemer was. Gelet op dit een en ander valt geen goede koppeling te maken tussen de overgelegde facturen en de werkzaamheden die [partij 3] niet heeft uitgevoerd. Zo dit verband wel mocht bestaan, is de rechtbank van oordeel dat [partij 2] onvoldoende heeft toegelicht waarom de kosten van het inschakelen van uitzendkrachten zoveel meer bedragen dan de kosten die [partij 3] in rekening zou hebben gebracht. De enkele omstandigheid dat [partij 2] met spoed uitzendkrachten moest inschakelen is hiertoe onvoldoende. De overige verweren van Finqle kunnen onbesproken blijven.
4.25.
Wat hiervoor is overwogen en beslist leidt ertoe dat het beroep op verrekening in conventie wordt afgewezen. Nu dit het enige verweer in conventie is (zie r.o. 4.1), zal de vordering van Finqle worden toegewezen.
4.26.
[partij 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van Finqle als volgt:
- dagvaarding € 122,35
- griffierecht € 6.861,00
- salaris advocaat € 7.212,50 (2 ½ punten à € 2.885, volgens tarief VI)
- nakosten
€ 148,00(plus de verhoging zoals opgenomen onder de beslissing)
Totaal: € 14.343,85
4.27.
De over deze proceskosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen.
in reconventie
4.28.
Nu het beroep op verrekening in conventie niet slaagt, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat [partij 2] een voor verrekening vatbare tegenvordering heeft. Deze vordering strandt op hetgeen in conventie in overwogen en beslist.
4.29.
[partij 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van Finqle als volgt:
- salaris advocaat € 816,25 (1 ¼ punten à € 653, volgens tarief II)
- nakosten
€ 148,00(plus de verhoging zoals opgenomen onder de beslissing)
Totaal: € 964,25
4.30.
De over deze proceskosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen.
in de vrijwaringszaak
4.31.
[partij 3] heeft verstek laten gaan en is evenmin verschenen bij de mondelinge behandeling. De vorderingen van [partij 2] zullen daarom worden toegewezen, tenzij deze de rechtbank ongegrond of onrechtmatig voorkomen.
4.32.
Met betrekking tot de vordering tot vrijwaring (vordering I) overweegt de rechtbank als volgt. De vordering van Finqle in de hoofdzaak heeft betrekking op de door [partij 3] voor [partij 2] verrichte werkzaamheden op basis van de tussen hen gesloten onderaannemings-overeenkomst. Die vordering heeft [partij 2] in de hoofdzaak (behoudens haar beroep op verrekening) ook erkend. Niet gesteld of gebleken is dat [partij 2] de onderaannemings-overeenkomst met [partij 3] heeft ontbonden of om een andere reden niet meer tot betaling van het openstaande bedrag gehouden is. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de rechtbank dus niet dat [partij 3] [partij 2] moet vrijwaren voor de vordering van Finqle. Vordering I komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking. Overigens wordt het door [partij 2] in deze verstekprocedure gevorderde bedrag aan schadevergoeding integraal toegewezen, gezien r.o. 4.33.
4.33.
De vorderingen II en III komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor
Daarom zal het gevorderde worden toegewezen zoals uitgewerkt in de beslissing.
4.34.
[partij 3] zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [partij 2] als volgt:
- dagvaarding € 122,35
- salaris advocaat € 6.946,50 (1½ punten à € 4.631, volgens tarief VIII)
- nakosten
€ 198,00(plus de verhoging zoals opgenomen onder de beslissing)
Totaal: € 7.266,85
4.35.
De over deze proceskosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak
in conventie
5.1.
veroordeelt [partij 2] veroordeelt tot betaling aan Finqle van € 284.327,29, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 255.914,15 vanaf 1 juni 2025 tot aan de dag van algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt [partij 2] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Finqle tot op heden begroot op € 14.343,85 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij 2] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.3.
verklaart de veroordelingen onder 5.1 en 5.2 uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
5.4.
wijst het gevorderde af;
5.5.
veroordeelt [partij 2] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Finqle tot op heden begroot op € 964,25 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij 2] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.6.
verklaart de veroordeling onder 5.5 uitvoerbaar bij voorraad;
in de vrijwaringszaak
5.7.
veroordeelt [partij 3] tot betaling aan [partij 2] van € 1.164.166,83, vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
5.8.
veroordeelt [partij 3] om - indien en voor zover [partij 2] naar aanleiding van het in de dagvaarding omschreven handelen van [partij 3] door de Nederlandse Arbeidsinspectie een boete wordt opgelegd en tot betaling wordt gehouden en/of indien [partij 2] een naheffingsaanslag op grond van de WKA aan de Belastingdienst dient te voldoen - aan [partij 2] het volledige bedrag van die boete en/of naheffingsaanslag te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van betaling door [partij 2] aan de Nederlandse Arbeidsinspectie respectievelijk de Belastingdienst tot aan de dag van algehele voldoening;
5.9.
veroordeelt [partij 3] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [partij 2] tot op heden begroot op € 7.266,85 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij 3] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.10.
verklaart de veroordelingen onder 5.7 tot en met 5.9 uitvoerbaar bij voorraad;
5.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
Type: 1554

Voetnoten

1.HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3777.
2.Vgl. HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9494.